Kerkvader (Thagaste 13 november 354 - Hippo 28 augustus 430)
Aurelius Augustinus was de zoon van Patricius die bestuurder was in het Noord-Afrikaanse Thagaste. De stad lag vijftig kilometer van de Middellandse Zee, tussen het huidige Algiers en Tripoli. Patricius was ‘heiden’, zijn vrouw Monnica kwam uit een christelijk gezin en probeerde haar geloof op Augustinus en zijn broer en zus over te brengen.
Op school in Thagaste gaf Augustinus blijk van grote intellectuele begaafdheid. Dankzij de financiële inspanningen van zijn ouders kon hij verder studeren, eerst in Madauru, niet ver van Thagaste, vanaf 370 in Carthago, de hoofdstad van de Romeinse provincie Africa. Augustinus kreeg onderwijs in de grammatica, de Latijnse literatuur en de retorica, de welsprekendheid waarin hij uitblonk. Intussen gingen de geneugtes des levens niet aan Augustinus voorbij; van wijntje en trijntje was hij niet afkerig. In 372, op achttienjarige leeftijd, verwekte hij een zoon bij een vriendin. De baby kreeg de naam Adeodatus, ‘door God geschonken’, maar een overtuigd christen was de jonge vader bepaald niet.
Als grootmeester in de welsprekendheid leek voor Augustinus een juridische of politieke loopbaan weggelegd. Lezing van een geschrift van de Romeinse geleerde Cicero bracht hierin verandering. De retorica, betoogde Cicero, was een cosmetische discipline waarin de verpakking belangrijker was dan de inhoud. Het ware geluk was te vinden in het zoeken naar de waarheid – in de filosofie. Augustinus brak met zijn losbandige leven en probeerde de waarheid eerst in de bijbel te vinden, tevergeefs. Hij was nog te zeer een classicistische retor en zette de bijbel als een armzalig vormgegeven boek weg. Onbeschaafde taal, oordeelde hij.
Augustinus zocht zijn heil vervolgens bij de Manicheeërs, een religieuze sekte die kennis voorop stelde en niets moest hebben van dogmatiek. Het oude testament werd niet erkend, de autoriteit van God verworpen. Een en al menselijke rede dus, een opstelling die Augustinus na een aantal jaren niet meer bevredigde. Hij omarmde vervolgens de twijfel, de steven naar het scepticisme wendend, totdat hij in 384 staatsretor werd aan het hof van de Romeinse keizer in Milaan. De bisschop van de stad, Ambrosius, bracht Augustinus de allegorische uitleg van de bijbel bij. Sommige verhalen konden letterlijk worden opgevat, maar andere hadden een diepere boodschap en moesten overdrachtelijk worden uitgelegd. Ambrosius wees Augustinus in dit verband ook op de waarde van de filosofie van Plato: de maatstaf voor de scheppingsorde lag in een transcendente wereld die niet met menselijke zintuigen kon worden waargenomen.
In 386, 32 jaar oud, bekeerde Augustinus zich tot het christendom en zegde de retorica, het verkopen van woorden, vaarwel, ook als gevolg van een longaandoening. Hij trok zich met een aantal vrienden terug op een landgoed buiten Milaan, als voorbereiding op de doop die hem en zijn zoon met pasen 387 door Ambrosius werd bediend. Augustinus keerde vervolgens terug naar zijn geboorteplaats Thagaste waar hij zich aan bijbelstudie wijdde, een aantal geschriften voltooide en een gemeenschap van lekenmonniken stichtte.
Augustinus kreeg al gauw naam en faam, ook buiten zijn geboortestad. Havenstad Hippo riep hem in 391 als geestelijk leidsman. Studeren en schrijven was Augustinus liever, maar hij liet zich toch tot priester wijden. Vijf jaar later, in 396, werd hij bisschop van de stad. De retor van weleer verloochende zich niet want Augustinus werd een gerenommeerd prediker. Zeshonderd preken zijn van hem bewaard gebleven, het totale aantal bedroeg waarschijnlijk het tienvoudige. In zijn preken nam Augustinus voortdurend stelling tegen dissidente stromingen als het manicheïsme, dat hij zelf een tiental jaren aanhing, en het pelagianisme.
Ook als schrijver was Augustinus buitengewoon productief. Traktaten, verhandelingen, brieven, bijbelcommentaren, filosofische en theologische werken, autobiografieën: het ene na het andere geschrift zag het licht. Rond het jaar 397 schreef Augustinus zijn Confessiones, autobiografische belijdenissen in gebedsvorm, van zijn geboorte tot het overlijden van zijn moeder in 387. In de laatste drie van de dertien boeken belichtte Augustinus de drieëenheid van Vader, Zoon en Geest. Tussen 412 en 426 schreef hij aan De Civitate Dei, 22 boeken waarin hij de wereldgeschiedenis beschreef als een strijd tussen Gods Rijk en het rijk der wereld. ‘Wanneer de gerechtigheid opzij geschoven is,’ leerde hij, ‘wat zijn koninkrijken anders dan grote roversbenden.’
De woorden werden bewaardheid tijdens Augustinus’ laatste dagen, in de zomer van 430, toen hij werd geplaagd door hoge koorts en hevige pijn. Hippo werd belegerd door de Vandalen, een roversvolk dat moordend en plunderend door Noord-Afrika trok. Augustinus stierf op 28 augustus. Kort daarna liepen de Vandalen de stad onder de voet.
Augustinus staat te boek als kerkvader bij uitstek, niet alleen voor de rooms-katholieke kerk maar ook voor de kerken die uit de reformatie zijn voortgekomen. Erasmus, Luther en Calvijn grepen op Augustinus terug. Reformatorische leerstukken over predestinatie en zonde en genade zijn geënt op de theologische werken van Augustinus. Zijn Confessiones gelden ook in de wereldliteratuur als monumentaal.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
20 april 2009
Verder lezen
F. van der Meer, Augustinus de zielzorger. Een studie over de praktijk van een kerkvader (Brussel-Utrecht 1947)
A. Fitzgerald (ed.), Augustine through the Ages. An Encyclopedia (Grand Rapids 1999)
P. Brown, Augustine of Hippo. A Biography (Berkeley 2000 2de druk [vert.])
P. van Geest, H. van Oort (ed.), Augustiniana Neerlandica. Aspecten van de spiritualiteit van Augustinus en haar doorwerking (Leuven 2005)