Artikel in de Nederlandse geloofsbelijdenis van 1561, gewijd aan ‘het ambt der overheid’.
Het beschrijft de oorsprong en het doel van de overheid vanuit bijbels perspectief. De opsteller, Guido de Brès, houdt in deze confessie de overheid de plicht voor zich in te zetten voor de ‘heilige kerkedienst’, het koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen, en tevens ‘afgoderij’ en ‘valse godsdienst’ te weren en uit te roeien. Artikel 36 vormt een essentieel bestanddeel van een gereformeerde visie op de overheid, zoals deze door tal van reformatoren in de zestiende eeuw en door het merendeel van de gereformeerde theologen in de zeventiende eeuw werd beleden. De reformatorische opvatting over deze materie correspondeerde met de vroegchristelijke en middeleeuwse gedachte dat de vorst ook verantwoordelijk was voor het geestelijk welzijn van zijn onderdanen.
De tegenstelling tussen een nagestreefde ‘godsregering’ van het openbare leven en de roep om godsdienstige en politieke tolerantie, bracht een voortdurende worsteling met zich mee om artikel 36 in praktijk te brengen. Na de scheiding tussen kerk en staat aan het eind van de achttiende eeuw, werd dit artikel in toenemende mate onderwerp van de discussie, ook binnen de kerken. De woorden over het weren en uitroeien van afgoderij en valse godsdienst werd ook in christelijke kring als onverenigbaar gezien met de taak van de overheid. Deze opinievorming heeft geleid tot het schrappen van deze 21 woorden door de synode van de Gereformeerde Kerken in 1905. De Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) heeft het ‘onverkorte’ artikel 36 in haar politieke programma.
Auteur
K. van der Zwaag [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
K. van der Zwaag, Onverkort of gekortwiekt? (Heerenveen 1999)