Predikant en hoogleraar (Oudewater 1559? - Leiden 19.10.1609)
Jacob Arminius was nog jong toen zijn vader overleed. De priester Th. Aemilius trad als zijn voogd op en later de hoogleraar wiskunde R. Snellius. Arminius studeerde te Marburg en Leiden. In 1575 werd zijn familie door de Spanjaarden omgebracht bij de verwoesting van Oudewater. Daartoe financieel in staat gesteld door het Amsterdamse Kramersgilde studeerde hij in Genève, Bazel en Padua. Tijdens deze studies zijn wellicht kiemen gelegd voor zijn latere afwijkingen van de calvinistische leer.
In 1587 werd hij predikant te Amsterdam. Door zijn huwelijk verkeerde hij in de gegoede Amsterdamse kringen. De pastorale kwaliteiten van Arminius werden zeer geroemd. Rond 1590 werd hij gevraagd een weerlegging te schrijven van twee theologen die op het gebied van de predestinatieleer een ander standpunt innamen dan Calvijn en Beza. Arminius zou deze standpunten echter nooit volstrekt verwerpen. In 1591 werd hij door zijn collega Petrus Plancius beschuldigd van te grote rekkelijkheid op dit punt. Vanaf deze tijd interesseerde Arminius zich steeds meer voor dit vraagstuk. Zijn grootste zorg was hoe Gods vrijheid (om te verkiezen of te verwerpen) kan bestaan zonder dat God uiteindelijk schuldig is aan het feit dat de mens niet zal geloven (en verworpen zal blijken). Hij wilde te allen tijde voorkomen dat God de ‘auteur van de zonde’ zou zijn.
In zijn standpunten over de predestinatieleer is de invloed aanwijsbaar van de rooms-katholieke Spaanse theoloog Luis de Molina. In 1603 was Arminius kandidaat als hoogleraar aan de Leidse theologische faculteit. Franciscus Gomarus, hoogleraar aldaar, maakte bezwaren vanwege de mogelijke onrechtzinnigheid van Arminius. Een gemeenschappelijke maaltijd maakte zijn benoeming echter mogelijk. In datzelfde jaar promoveerde Arminius, onder voorzitterschap van Gomarus, aan de Leidse theologische faculteit. Het jaar daarna leidde hij een disputatie over de predestinatie. Hierna ontstond een polemiek tussen Gomarus en Arminius. Bemiddeling van de overheid leidde niet tot rust. In 1608 verdedigen beide theologen hun standpunten voor de Staten van Holland.
De in het Nederlands opgestelde verklaring van Arminius is de meest toegankelijke bron tot zijn denken. Zijn gedachtegoed werd na zijn dood uitgewerkt door een veertigtal predikanten onder leiding van Johannes Uyttenbogaert (1557-1644) en Simon Episcopius (1583-1643) die in 1610 een remonstrantie of verzoekschrift indienden bij de Staten van Holland; zij vroegen daarin om ruimte in de kerk voor hun benadering van de predestinatieleer. De hieropvolgende strijd tussen remonstranten en contraremonstranten leidde in 1618-1619 tot de synode van Dordrecht die de remonstranten veroordeelde. De remonstranten richtten vervolgens de Remonstrantse Broederschap op, die Arminius als zijn geestelijk vader beschouwt. Zie ook arminianisme.
Auteur
Tjaard Barnard [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
G.J. Hoenderdaal (ed.), Verklaring van Jacobus Arminius afgelegd in de vergadering van de Staten van Holland op 30 oktober 1608 (Lochem 1960)
D. Tjalsma, Leven en strijd van Jacobus Arminius (Lochem 1960)
C. Bangs, Arminius. A Study in the Dutch Reformation (Grand Rapids 1985 2e druk)
E. Dekker, Rijker dan Midas. Vrijheid, genade en predestinatie in de theologie van Jacobus Arminius (1559-1609), (Zoeterneer 1993)
Zie ook
Jacobus Harmensz. Arminius