Geloofspraktijk van de kerken die behoren tot de wereldwijde Anglicaanse Communie (wereldwijd de tweede kerkgemeenschap met ca. 75.000.000 leden), die is ontstaan uit de Church of England.
De verbreiding van het anglicanisme begon in de zestiende eeuw door plaatsing van priesters van de Engelse staatskerk bij de nederzettingen in de koloniën; later volgde er gerichte zending onder de plaatselijke bevolking. Niet-blanke anglicanen in Afrika en Azië vormen nu een kleine meerderheid; hun groei is groter dan de afname in de westerse landen. De autonome lidkerken zijn verbonden door erkenning van het primaatschap van de aartsbisschop van Canterbury en een geloofspraktijk gedefiniëerd door het Book of Common Prayer en het Chicago-Lambeth Quadrilateral (1. Bijbel, 2. Apostolisch en Niceaans credo, 3. Sacramenten van doop en avondmaal, 4. Historisch episcopaat met apostolische successie).
Sinds 1867 komen alle bisschoppen eens per tien jaar samen in de zogenaamde Lambeth Conferences ter bespreking van actuele zaken, onder voorzitterschap van de aartsbisschop van Canterbury. De uitspraken zijn niet bindend; de nationale kerken beslissen hierover desgewenst.
De doctrinaire ruimte in de anglicaanse geloofspraktijk maakt dat leerstellige conflicten nauwelijks optreden. Het zijn sociale kwesties als de emancipatie van vrouwen en homoseksualiteit, die door de verschillende maatschappelijke omstandigheden in diverse gebieden tot botsingen leiden over wijding van vrouwen en homoseksuelen en homohuwelijk.
Auteur
Sjoerd L. Bonting [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Stephen Neill, Het anglicanisme (Utrecht 1970)