Openbare betrekking waarin men door de overheid of een andere gezagsinstantie geroepen kan worden.
Zo kan men ook spreken van een kerkelijk ambt dat wordt toegekend aan hen aan wie de leiding van de kerk wordt toevertrouwd. Het woord ambt is ontstaan in de veertiende eeuw als een samentrekking van ambacht. De Schrift kent geen eenduidig ambtsbegrip. In het Nieuwe Testament is de kerk in opbouw en is er nog geen sprake van een uniforme leidingstructuur. De structuur van de gemeente van Korinte bijvoorbeeld zag er heel anders uit dan die we in de pastorale brieven aan Timoteüs en Titus aantreffen.
Over de plaats en het gezag van het ambt lopen de theologische interpretaties uiteen, maar algemeen wordt het ambt wel gezien als een gave (charisma) van de heilige Geest in de vorm van een dienst (diakonia) aan de gemeente. Het laatste gaat terug op de dienst van Jezus zelf: ‘Ik ben in uw midden als dienaar’ (Luc. 22:27). Afgezien van de apostelen treffen we in het Nieuwe Testament alleen plaatselijke leidersfiguren aan, onder wie ook vrouwen als Lydia (Hand. 16:14 e.v.), Priscilla (Hand. 18:18 en 26) en Febe (Rom. 16:1). In de latere kerkgeschiedenis wordt het ambt gedomineerd door mannen. Pas vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw worden in de grote protestantse kerken in Nederland ook vrouwen tot het ambt toegelaten.
Aanvankelijk was de leidingstructuur van de gemeente open; ieder kon er deel aan hebben. Maar al in het Nieuwe Testament tekenen zich globaal twee lijnen af, of zo men wil: twee modellen.
Het eerste model treffen we aan in de brieven aan Rome, Korinte en Efeze. Hierin wordt de gemeente beschreven als een charismatische gemeenschap. Gemeenteleden zijn begaafde mensen. Ieder deelt in de gaven van de Geest. De apostel Paulus geeft hiervan een opsomming in 1 Korintiërs 12-14. Hij doet dit omdat gemeenteleden zich op bepaalde gaven laten voorstaan. Elk charisma is een gave die aan de gemeente geschonken wordt, betoogt hij. Paulus gebruikt hier het beeld van het lichaam. Sommige gaven zijn van institutionele betekenis: profeet, evangelist, herder en leraar. Ze zijn gegeven ‘om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus’ (Ef. 4:12). Maar ook deze functies zijn charismata, net als de andere.
Het Nieuwe Testament kent nog een tweede ambtsmodel dat waarschijnlijk stamt uit de synagoge. In de pastorale brieven aan Timoteüs en Titus lezen we over een college van oudsten (presbyteroi) en opzieners (episkopoi). Ook is er sprake van diakenen (diakonoi) die waarschijnlijk als helpers van de genoemde ambtsdragers optraden. Al in de eerste eeuwen ontstond een patroon waarin de bisschop (episkopos) optrad als hoofd van de oudsten.
Ignatius van Antiochië (ca. 110) kent al een drieledig ambt. Een bisschop als leider van de kerk in een bepaalde regio, de presbyters (spoedig priesters genoemd) die hem daarbij ondersteunen en de diakenen die naast bepaalde liturgische functies ook charitatieve diensten verleenden. (In de katholieke traditie spreekt men van caritas, liefdewerk, waar de reformatie het woord diaconie gebruikt.) Deze ambtelijke structuur wordt later uitgebouwd tot een hiërarchische orde zoals we die kennen in de Rooms-Katholieke Kerk.
De reformatie greep via Luther en Bucer terug op het eerste model, de charismatische structuur, door uit te gaan van het priesterschap van alle gedoopten, met verwijzing naar Petrus die de gemeente aanspreekt als een ‘koninklijk priesterschap’ (1 Petr. 2:9). Tot de priesterlijke plichten van de gelovigen rekent Luther in de Schmalkaldische Artikelen (1536): het Woord leren en prediken, dopen, avondmaal houden, onderlinge vermaning en vertroosting, offeren, voor anderen bidden, oordelen en beslissen over de leer. Het ambt dat opkomt uit het algemeen priesterschap neemt hiervan bepaalde taken over.
Ook bij Bucer is het ambt een verbijzondering van het algemeen priesterschap. De Geest werkt in en door de gemeente en de gemeente kiest daartoe bekwame mannen uit aan wie zij de leiding in haar midden toevertrouwt. Bij Bucer treffen we al een zekere differentiatie binnen het ambt aan met, naast de dienst het woord, afzonderlijke aandacht voor de zielzorg en de diaconale zorg.
Bij Calvijn vinden we hiervan een verdere uitwerking in zijn Institutie (IV, 3). Zijn uitgangspunt is dat Christus zelf zijn gemeente op aarde regeert door zijn Woord en Geest en dat hij hierbij gebruik maakt van de dienst van mensen. Daarom is bij Calvijn een belangrijke rol weggelegd voor de predikant als dienaar van het goddelijk woord. Dat heeft niets gewichtigs; Calvijn spreekt over hem als ‘een of ander mensje uit het stof opgerezen om in de naam van God te spreken’. Teruggrijpend op Paulus maakt hij onderscheid tussen tijdelijke en blijvende ambten in de kerk, waarna hij uitkomt bij de drie oud-kerkelijke ambten, door hem ingevuld als predikant, ouderling en diaken. In het gegroeide heilsbemiddelende priesterschap ziet Calvijn een ontaarding van het ambt. Hij hechtte dan ook weinig waarde aan de ordinatie of wijding tot het ambt, al noemde hij deze ceremonie een goede gewoonte. De ambten van ouderling en diaken had Calvijn nodig binnen de theocratisch ingerichte stadsstaat Genève. De ouderlingen, ook opzieners genoemd en oorspronkelijk gemeenteraadsleden, werden als leden van de door hem ingestelde kerkenraad belast met de tucht over geloof en zeden, die zich in de vorm van het huisbezoek afspeelde rond de voorbereiding op het avondmaal. De diakenen vervulden een belangrijke sociale taak. Wat de ambten verbond was de dienst aan het woord, dat door de predikant verkondigd werd, terwijl de ouderling erop toezag dat de mensen het ter harte namen en de diaken het met de daad in praktijk bracht. Dit ambtsmodel werd vanaf het begin ingevoerd in de Gereformeerde Kerk in de Nederlanden en in 1619 vastgelegd in de kerkorde van Dordrecht.
Ook in de katholieke traditie vormt de communio, de gemeenschap van de gedoopten, het uitgangspunt van het denken over het ambt. Alle christenen hebben deel aan de drie ambten van Christus, profeet, priester en koning. Het Tweede Vaticaans Concilie spreekt dan ook van het ‘gemeenschappelijke priesterschap van de gelovigen’. Vervolgens wordt echter een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het gemeenschappelijke en het gewijde ambtelijke priesterschap. De wijding onder handoplegging (apostolische successie) is een sacrament. Naast de charismatische structuur kent de kerk dus een ambtelijke structuur, als representatie van Christus. Het gewijde ambt kent eveneens een driedeling, die van bisschop, priester, diaken. Het primaat van de bisschoppen berust bij de paus.
De huidige oecumenische ambtsdiscussie speelt zich af rond het Lima-rapport (of BEM-rapport: Baptism, Eucharist and Ministry), een rapport van de Wereldraad van Kerken (1982). Hierin wordt eveneens uitgegaan van een driedeling – episcopaat, presbyteriaat, diaconaat – en wordt de ordinantie via wijding en het heilsbemiddelend karakter (Christusrepresentatie) benadrukt. Men noemt dit wel een hoogkerkelijke ambtsopvatting, in tegenstelling tot een laagkerkelijke visie die denkt vanuit het algemeen priesterschap.
De ontwerpkerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland neemt een tussenpositie in. Onder invloed van de Lutheranen gaat deze uit van de eenheid van het ambt: ‘Om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren is van Christuswege het openbare ambt van Woord en Sacrament gegeven’ (Art.V). Vervolgens worden de bekende drie bijzondere ambten onderscheiden. In protestantse kring hoort men af en toe een pleidooi voor een gezaghebbende bisschop, als reactie op een gebrekkig functioneren van de kerkelijke vergaderingen.
Auteur
Gerben Heitink [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
E.A.J.G. Van der Borght, Het ambt her-dacht (Zoetermeer 2000)
M. Gosker, Het ambt in de oecumenische discussie (Amstelveen 2000)
C.T.M. van Vliet, Kerk met twee ogen. Een katholieke ecclesiologie (Kampen 2001), 124-150
G. Heitink, Biografie van de dominee (Baarn 2002 2de druk)