Verhoogd object voor cultische doelen.
In de antieke godsdiensten gebruikt voor slachtoffers en brandoffers. In de christelijke traditie plaats voor de cultische viering van het avondmaal van Christus en zijn discipelen. Het christelijke altaar kan de vorm hebben van een tafel of een blok, dat vaak een sarcofaagvorm krijgt. Al vrij vroeg wordt het voorzien van relieken van heiligen. In de vroeg christelijke kerken nam het een betrekkelijk centrale positie in. In later tijd kwam het aan het uiteinde van de kerk te staan. In de byzantijnse kerken werd het door de iconostase, een wand met iconen, van de lekenruimte gescheiden.
Terwijl in de byzantijnse traditie één altaar de norm bleef, kwamen er in het westers christendom steeds meer nevenaltaren. De altaren werden voorzien van een versierde achterwand, het retabel, dat op den duur het eigenlijke altaar overschaduwde. Een in de late Middeleeuwen gebruikelijke retabelvorm was het vleugelaltaar. In de renaissance en barok kregen de retabels vaak de vorm van reusachtige architectonische opbouwen. In de twintigste eeuw kwam een heroriëntatie op de basisvorm van het altaar: de tafel of het blok.
Van de reformatorische kerken hebben het anglicanisme en het lutheranisme het altaar (naar de vorm) behouden. De calvinistische en doperse kerken kennen het altaar niet.
Auteur
A.J. Looyenga [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]