Hoogleraar Oude Testament, aartsbisschop van Utrecht (Nijkerk 5.7.1900 - Nieuwegein 17.12.1987)
Alfrink volgde de priesteropleiding in Culemborg en Rijsenburg (1913-1924) en werd in 1924 priester gewijd. Hij studeerde in Rome aan de Pauselijk Bijbelinstituten (1924-1928) en in Jeruzalem (1928-1929). Hij promoveerde in 1930, nadat hij de eerste versie van zijn proefschrift had moeten aanpassen aan de officiële kerkelijke theologie. Na een pastoraat van drie jaar werd hij in 1933 professor exegese aan het grootseminarie Rijsenburg, waar hij de studenten op de hoogte bracht van moderne exegetische opvattingen door ook de exegese van ‘andersdenkenden’ te behandelen. Van 1945 tot 1951 was hij hoogleraar Oude Testament aan de rooms-katholieke Universiteit in Nijmegen. In 1946 verscheen zijn belangrijkste werk, Het passieverhaal der vier evangelisten.
In 1951 werd Alfrink hulpbisschop van kardinaal J. de Jong. Vrijwel meteen liet deze het hele bestuur van het aartsbisdom aan hem over. In 1955 volgde hij De Jong op en in 1960 werd hij tot kardinaal verheven. Alfrink was tot in de jaren zestig een traditionele, autoritaire en afstandelijke bisschop, met weinig gevoel voor de behoefte van de Nederlandse katholieken aan vernieuwingen. Tijdens de voorbereidingen voor het Tweede Vaticaans Concilie was Alfrink lid van de Centrale Voorbereidingscommissie (1960-1962). Op het concilie zelf was hij een pleitbezorger voor meer zelfstandigheid van de plaatselijke bisschoppen ten opzichte van Rome, wat overigens geen wending naar vooruitstrevendheid betekende. Wel ontwikkelde hij zich in diplomatiek opzicht en werd hij gevoeliger voor standpunten van anderen, wat hem zijns ondanks een aura van progressiviteit bezorgde. Zijn functie als internationaal voorzitter van de katholieke vredesbeweging Pax Christi versterkte in hem een wat opener houding. Theologisch leunde hij sterk op de Nijmeegse theoloog E. Schillebeeckx.
Alfrink had zijn bekende ‘enerzijds-anderzijds’-betogen bijzonder nodig tijdens het Pastoraal Concilie van de Nederlandse Kerkprovincie (1968-1970), dat een sterk vooruitstrevend karakter had en waarbij hij steeds moest laveren tussen ‘Nederland’ en ‘Rome’. Zijn genuanceerde reactie op de encycliek Humanae vitae en zijn bereidheid de kwestie van het celibaat in Rome aan de orde te stellen bezorgden hem in Rome problemen. De benoeming van de bisschoppen A. Simonis (Rotterdam, 1970) en J. Gijsen (Roermond, 1972) veroorzaakten een polarisatie in de Nederlandse kerk en binnen de bisschoppenconferentie, waarvan hij vrijwel machteloos getuige was.
Al op de dag na zijn 75ste verjaardag ontving hij zijn ontslagbrief, wat hij terecht als de zoveelste desavouering door Rome opvatte. Na zijn ontslag trok Alfrink zich terug in Huis ter Heide. Het bezoek dat paus *Johannes Paulus II in 1985 daar aan hem bracht, ervoer hij, waarschijnlijk niet helemaal terecht, als eerherstel. Alfrink bleef zijn hele leven een afstandelijke man, met een onderkoelde en intellectuele, maar soms al te scherpe humor.
Auteur
Lodewijk Winkeler [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
M. van der Plas, Leven in de kerk. In gesprek met kardinaal Alfrink (Baarn 1984)
A.H.M. van Schaik, Alfrink. Een biografie (Amsterdam 1997)
J. Bosmans, ‘Alfrink, Bernardus Johannes (1900-1987)’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)