Door de kerk verleende kwijtschelding van tijdelijke straffen voor zonden die in de biecht beleden en vergeven zijn.
In het Latijn: indulgentia, een term die vanaf de elfde eeuw door de kerk van Rome in deze betekenis wordt gebruikt. Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw werd de kwijtschelding uitgedrukt in dagen, weken of zelfs jaren van boetedoening tijdens het aardse leven of, na de dood, tijdens het verblijf in het vagevuur. Als tegenprestatie verleende de boeteling een aalmoes of verrichtte hij een ander goed werk. Een grote of volle aflaat, dat wil zeggen kwijtschelding van alle zondestraffen, kon verdiend worden door deelname aan de eerste kruistocht om Jeruzalem te bevrijden van de Turkse bezetting (eind elfde eeuw). Ook de kruisvaarders die deelnamen aan latere campagnes, en pelgrims die tijdens een zogenoemd jubeljaar naar Rome trokken en daar de belangrijkste kerken bezochten, konden daarmee een volle aflaat verdienen.
In de late Middeleeuwen had de aflaat niet alleen een grote impact op het godsdienstig, maar ook op het economisch en sociaal leven. Met toestemming van de bisschop gingen zogenoemde questierders of aflaatkramers rond die tegen een geldelijke vergoeding aflaten verleenden aan de gelovigen. De opbrengsten van hun werkzaamheden werden vaak aangewend voor de bouw van kerken, zoals de dom van Utrecht. Tegen deze praktijk bestond al eigentijdse kritiek, onder anderen van Geert Grote (-1384), de geestelijke vader van de Moderne devotie. Ook Erasmus hekelde de aflaatpraktijk in zijn in 1510 voor het eerst gepubliceerde Laus Stultitiae (Lof der zotheid).
Korte tijd later werd niet alleen de aflaatpraktijk, maar ook het bestaansrecht van de aflaat zelf afgewezen door de reformatie, omdat het onderdeel was van de Roomse leer van de rechtvaardiging waarvan ook het sacrament van de biecht, de sleutelmacht van de paus en het bestaan van het vagevuur deel uitmaakten. Toonaangevend was Maarten Luther, wiens Sermon vom Ablass und Gnade al in 1520 in Antwerpen verscheen in een Nederlandse vertaling.
In de geschiedschrijving van het Nederlands protestantisme is de aflaathandel een belangrijk onderwerp gebleven omdat ze ‘weliswaar niet de oorzaak, maar toch de naaste aanleiding tot de hervorming der kerk was’ (N.C. Kist in 1829). Tot in de twintigste eeuw is in heel Europa fel gepolemiseerd tussen protestantse en katholieke auteurs over de negatieve dan wel positieve betekenis van het aflaatwezen voor de middeleeuwse christenheid.
Auteur
Charles Caspers [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Paul Fredericq, Codex documentorum Sacratissimarum Indulgentiarum Neerlandicarum. Verzameling van stukken betreffende de pauselijke aflaten in de Nederlanden (Den Haag 1922)
Nikolaus Paulus, Geschichte des Ablasses im Mittelalter, I-III (Paderborn 1922-1923)
Gustav Adolf Benrath, ‘Ablaß’, in: Theologische Realenzyklopädie, I (Berlijn/New York 1977) p. 347-364
Jan van Herwaarden, ‘Middeleeuwse aflaten en Nederlandse devotie’, in: D.E.H. de Boer & J.W. Marsilje (red.), De Nederlanden in de late middeleeuwen (Utrecht 1987) p. 31-68