Van het Latijnse absolutio: ontbinding, beëindiging.
Begrip dat in de katholieke kerk staat voor vergiffenis, kwijtschelding. Zo werd het woord vanouds ook gebruikt in liturgische zegenformules bij de voltooiing van de kerkelijke verzoening. In het regime van de tariefboete (zie biecht) keert de biechteling na het volbrengen van de boete terug naar de biechtvader en ontvangt dan afsluitend de vrijspraak, zodat de betekenis van absolutie verder daarnaar evolueert.
Geleidelijk gaat absolutie als vrijspraak de oudere term verzoening vervangen. In het moderne biechtregime, met zwaarder accent op de belijdenis, komt de absolutieformule vooraf aan de boete te liggen. Zij verwerft van een afsmekend een tot stand brengend karakter en gaat zo naar de vorm het sacrament van de biecht instellen. De kernzin van de absolutieformule luidt: ‘Ik ontsla u van uw zonden in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.’ Nationale Raad voor Liturgie, Orde van dienst voor boete en verzoening (Zeist 1976).
Auteur
Stijn van den Bossche [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]