Verdeling binnen de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland na het teloorgaan van de zogenaamde bisdommelijke indeling van 1559.
Aanvankelijk zestien, later negen gebieden. De aartspriester had de leiding over de priesters en parochies in zo’n territorium. Aanvankelijk namens de door Rome benoemde apostolische vicarissen. Na 1727, toen de afscheiding van de Oud-Katholieke Kerk definitief was geworden, namens de pauselijke nuntius in Brussel, die als ‘vice-superior’ de eerste verantwoordelijkheid droeg. In 1853 werden in deze gebieden het aartsbisdom Utrecht en het bisdom Haarlem opgericht.
Auteur
J. Peijnenburg [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]