Hoofd van een priestercollege dat aan een kathedrale kerk verbonden is; de plaatsvervanger van de bisschop.
Een titel die in de katholieke kerk al vanaf de vierde eeuw gebruikt wordt. Later werd de aartspriester meestal deken genoemd. In de Nederlandse kerkgeschiedenis werd later de naam aartspriester gebruikt voor degene die aan het hoofd stond van een van de territoriale gebieden, waarin de Hollandse Zending in het bisschoploze tijdperk na de hervorming en vóór 1853 was verdeeld.
Auteur
J. Peijnenburg [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]