Middelen die bij seksueel verkeer een zwangerschap voorkomen, ook wel anticonceptiva genoemd.
Er zijn mechanische middelen (condoom, pessarium, spiraal) die voorkomen dat een zaadcel een eicel kan bevruchten, en hormonale middelen (diverse typen ‘pillen’). Een natuurlijke wijze om bevruchting te voorkomen is periodieke onthouding, waarbij de vruchtbare dagen bij de vrouw worden vastgesteld op basis van het tijdstip van menstruatie, lichaamstemperatuur en vaginaal slijm (methode Billings). Het roomskatholieke leergezag aanvaardt alleen natuurlijke methoden van geboorteregeling.
Een ander belangrijk ethisch onderscheid is dat tussen middelen die de bevruchting voorkomen en middelen die innesteling van het vroege embryo in de baarmoederwand voorkomen (sommige pillen, waaronder de morning after-pil, en spiraaltjes). Deze laatste veroorzaken als bevruchting is opgetreden in feite een vroege abortus.
In (orthodox) protestants-christelijke kring is kunstmatige anticonceptie nog slechts enkele decennia breed, maar niet algemeen, geaccepteerd binnen het huwelijk. In de praktijk beklemtoont de seksuele moraal ook in kerkelijke kringen vooral het ‘veilig vrijen’, om bij eventueel wisselende buitenechtelijke seksuele contacten zwangerschap en seksueel overdraagbare aandoeningen te voorkomen. Beschikbaarheid van anticonceptie heeft enerzijds ook binnen het huwelijk een onbekommerder seksualiteitsbeleving mogelijk gemaakt, vooral voor de vrouw. Anderzijds is mede daardoor in onze samenleving seksualiteitsbeleving steeds meer losgemaakt uit het huwelijk en tot een consumptieartikel geworden.
Auteur
H. Jochemsen [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J. Douma, Seksualiteit en huwelijk (Kampen 1993)
A. van Beest, ‘Anticonceptie en abortus provocatus’. In: Cusveller, B.S. et al. (red.) Christelijke oriëntatie in medisch-ethische onderwerpen. Lindeboomreeks deel 13. (Amsterdam 2003), 31-34