Eeuwenlang is homoseksualiteit, en dan vooral het verrichten van seksuele handelingen tussen mannen (en in mindere mate vrouwen), binnen het protestantisme veroordeeld.
De ‘orde van de schepping’ en het ‘bijbels getuigenis’ weerhielden protestanten ervan homoseksualiteit te zien als een alternatieve seksuele gerichtheid.
Die mogelijkheid ontstond hoe dan ook pas in de twintigste eeuw, toen homoseksuele mannen zich onder andere in het COC begonnen te organiseren en toen ideeën over seksualiteit veranderden onder invloed van wetenschappelijke ontwikkelingen. Vanaf het einde van de negentiende eeuw tot de jaren ’50/ ’60 ontwikkelde de (wetenschappelijke) waardering van homoseksualiteit zich in grote lijnen van ‘zonde’ via ‘ziekte’ naar ‘psychische afwijking’. Toen bleek dat ook deze laatste ‘diagnose’ niet houdbaar was, gingen de ontwikkelingen snel, ook binnen het protestantisme. Deze ontwikkelingen werden daar uiteraard niet alleen beïnvloed door veranderende inzichten in de wetenschap, maar ook door een veranderende visie op het ontstaan van de bijbel. Al in 1961 verschenen artikelen van de gereformeerde hoogleraar S.J. Ridderbos en de bundel De homosexuele naaste, die een ander geluid lieten horen.
In de jaren ’60 en ’70 zetten dominee A. Klamer, dominee R. Brussaard en pater J. Gottschalk zich in voor de emancipatie van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen. Zij richtten in 1963 samen de voorloper van De Kringen op, een inmiddels groot netwerk van ‘zelfhulpgroepen’ voor homo’s en lesbiennes. In 1971 ontstond de Centrale Pastorale Werkgroep Homofilie. Door de CPWH werd voortgebouwd op het werk van drie genoemde mannen.
In de jaren ’80 kwam de kerkelijke beweging van homo’s en lesbiennes hoe langer hoe meer op eigen benen te staan en in 1987 werd daarom als opvolger van de CPWH de Stichting Landelijk KoördinatiePunt groepen kerk en homoseksualiteit (LKP) opgericht. Deze koepel onderhoudt thans het contact tussen vrijwel alle (twintig) christelijke homo-organisaties die er in Nederland zijn en is de zusterorganisatie van het netwerk Mirre (voor lesbische vrouwen en geloof). Veel organisaties hebben een protestantse achtergrond: van doopsgezind tot gereformeerd vrijgemaakt.
In 1979 nam de Synode van Delft van de Gereformeerde Kerken in Nederland vergaande besluiten: discriminatie van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen moest te allen tijde worden bestreden en van uitsluiting van ambten en sacramenten kon geen sprake zijn. Na een periode van twaalf jaar nam de synode van de Nederlandse Hervormde Kerk in 1995 de motie van mevrouw Te Velde-Kloosterboer aan, waarmee ook deze kerk uitsprak dat homoseksuele gemeenteleden in de kerk ten volle horen te worden aanvaard. In de jaren na 2000 heeft de discussie over homoseksualiteit zich binnen de hoofdstroom van het protestantisme vooral toegespitst op de mogelijkheid van een kerkelijke zegen voor partners van hetzelfde geslacht. In 2002 namen de drie kerken die nu deel uit maken van de Protestantse Kerk in Nederland (gereformeerden, hervormden en lutheranen) voorstellen aan om voortaan te spreken over de ‘inzegening’ van een huwelijk tussen een man en een vrouw en de ‘zegening’ van andere relaties. Binnen de wereldwijde gemeenschap van protestantse kerken zijn deze besluiten zonder meer progressief te noemen. Dit neemt niet weg dat in veel plaatselijke gemeentes het onderwerp ‘homoseksualiteit’ nog altijd niet of moeilijk bespreekbaar is. Inmiddels wordt er ook uitvoeriger gediscussieerd over homoseksualiteit binnen de kleinere gereformeerde kerken en ook de evangelicale kerken mengen zich in de discussie. De discussies variëren van een pleitbezorging voor de vrijheid van het eigen geweten tot en met de oproep aan homo’s en lesbiennes zich te laten genezen.
Auteur
Wielie Elhorst, theoloog en voorzitter van de Stichting Landelijk KoördinatiePunt groepen kerk en homoseksualiteit
Zie ook
Homoseksualiteit (2005)