Alle maatregelen om het aantal geboorten te reguleren, zowel binnen het gezin als binnen een bepaalde bevolkingsgroep. In dit laatste geval spreekt men van bevolkingspolitiek.
In alle tijden en culturen hebben mensen geprobeerd zwangerschap te voorkomen. Naast magische en folkloristische gebruiken bestonden er, lang voor bekend was wat er bij de bevruchting gebeurde, chemische en mechanische middelen die wel degelijk effectief waren. Kinderbeperking werd echter eeuwenlang vrijwel uitsluitend buiten het huwelijk toegepast. Pas in de achttiende eeuw raakten deze praktijken ook binnen het huwelijk in zwang, het eerst in de betere kringen van Frankrijk. In de loop van de negentiende eeuw raakte geboorteregeling door coïtus interruptus ook in andere milieus in zwang. Het neomalthusianisme, dat het gebruik van voorbehoedmiddelen tegen zwangerschap propageerde, kwam in de loop van die eeuw op in Engeland en de Verenigde Staten en sloeg algauw ook naar Frankrijk en Nederland over.
De christelijke kerk heeft zich vrijwel vanaf het begin beziggehouden met de (on)geoorloofdheid van anticonceptie. In de katholieke huwelijksopvatting was voortplanting het eerste huwelijksdoel en werd het voorkomen daarvan als zonde tegen de natuur veroordeeld. De sancties waren evenwel mild. Deze houding veranderde met het opkomende neomalthusianisme, waartegen de katholieke kerk een hevig offensief is begonnen. In Nederland bleef het verzet niet, zoals elders, beperkt tot de kerkelijke hiërarchie en de moraaltheologen. Ook leken (met name medici) hebben een belangrijke rol gespeeld. Ook in (orthodox-)protestantse kring werd de kunstmatige kinderbeperking afgewezen, als ‘in strijd met Gods woord’ en ‘onder alle omstandigheden tegennatuurlijk’. Voor protestanten en katholieken was alleen absolute onthouding van geslachtsverkeer geoorloofd. Vanaf de jaren dertig kwam daar de periodieke onthouding bij. Deze ‘natuurlijke’ en geoorloofde methode heeft er vermoedelijk toe bijgedragen dat de katholieke kerk het gebruik van voorbehoedmiddelen als ongeoorloofd bleef afwijzen, inclusief de in de jaren zestig geïntroduceerde ‘pil’. In 1968 werd dat bevestigd in de encycliek Humanae vitae. Ook de Hervormde Synode wees tot 1952 het ‘tegennatuurlijk huwelijksgebruik’ af, al hebben ook voor die tijd (hervormde) theologen wel geprobeerd enige ethische ruimte te scheppen.
Inmiddels is zowel aan katholieke kant als door de protestantse kerken het recht erkend van de gehuwden om zelf in geweten het kindertal te bepalen; een recht overigens dat de meeste mensen ook zonder deze toestemming zichzelf al hadden toegeëigend.
Auteur
Hanneke Westhoff [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. Westhoff, Natuurlijk geboorteregelen in de twintigste eeuw (Nijmegen/Baarn 1986)
H.Q. Röling, ‘De tragedie van het geslachtsleven.’ Dr. J. J. Rutgers en de Nieuw-Malthusiaanse Bond (Amsterdam 1987)