Het woord ‘euthanasie’ is samengesteld uit het Griekse eu (goed) and thanatos (dood).
Eeuwenlang verwees het woord naar een ‘goede dood’ in het algemeen, dat wil zeggen een dood zonder ernstig lijden of angst, waarop men geestelijk goed was voorbereid.
Vanaf het begin van de 19e eeuw ging men het woord meer specifiek gebruiken voor levensbeëindiging door een arts bij ernstig lijden, met of zonder een verzoek van de patiënt. In de eerste helft van de 20e eeuw klonk de term in de context van de eugenetica, niet alleen in Duitsland overigens, maar bijvoorbeeld ook in de VS. Nederland werd in 1995 het eerste land dat euthanasie legaliseerde, waarbij een verzoek van de patiënt een absolute vereiste was. Het verschil tussen euthanasie en hulp bij zelfdoding is de identiteit van de ‘dader’: de arts respectievelijk de patiënt. Euthanasie gebeurt doorgaans bij een terminale ziekte.
In recente discussies uit onder meer de NVVE (Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde) de wens om de criteria op te rekken naar psychische ziekten en sociaal lijden. Euthanasie is weliswaar niet onproblematisch maar van alle vormen van doden is het wel de minst controversiële. Protestanten hebben erop gewezen dat de Bijbel geen ‘vitalisme’ rechtvaardigt, d.w.z. de visie dat het leven tegen elke prijs moet worden gerekt. ‘Goed sterven’ kan betekenen dat je aanvaardt dat een ziekte het heeft gewonnen en dat tijd en middelen moeten worden ingezet voor de bestrijding van pijn en ander lijden in plaats van voor dure medische behandelingen zonder echte kans op succes. Er is reden om aan te nemen dat het lijden dat achter een euthanasieverzoek schuilgaat soms is veroorzaakt door belastende medische behandelingen. Het recht om een medische behandeling te weigeren is dan ook vrijwel onomstreden.
Ondanks dat de Bijbel vitalisme afwijst, ondanks de ernst van het lijden, en ondanks het feit dat een euthanasieverzoek geheel vrijwillig kan worden gedaan, hebben protestanten doorgaans enige moeite met euthanasie. Daarvoor heeft men uiteenlopende argumenten. Zo is het niet wenselijk dat een maatschappij haar weerstanden tegen het opzettelijke en directe doden van burgers verliest. Het kan moeilijk zijn om grenzen te trekken tussen gebruik en misbruik, tussen wie wel voor euthanasie in aanmerking komen en wie niet. Wellicht staat euthanasie de ontwikkeling van efficiënte en toegankelijke palliatieve alternatieven in de weg. Een meer ‘geestelijk’ argument is dat de laatste etappe van een mensenleven niet alleen tragisch en zwaar is, maar ook kansen kan bieden voor geestelijke groei, waardevolle persoonlijke relaties en verzoening.
Zelfs artsen die regelmatig euthanasie verrichten blijven er emotioneel moeite mee hebben. In zeker opzicht kun je ook zeggen dat euthanasie, hoe autonoom ook besloten, diezelfde autonomie teniet doet. De Bijbel spreekt hoog over het vermogen van mensen om hun eigen lot mee vorm te geven, maar deze autonomie valt wel binnen de grenzen van respect voor het gegeven leven. De Bijbel bevat verschillende verhalen van mensen die naar hun dood verlangen (Elia, Paulus), maar in geen enkele passage wordt de beslissing om het eigen leven te (laten) beëindigen gelegitimeerd. Hoewel incidentele zelfdodingen in de Bijbel niet expliciet worden afgewezen, tonen de contextbeschrijvingen het diep tragische karakter van zulke beslissingen. Dat betekent dat protestantse discussies over euthanasie vrijwel altijd gaan over de vraag welke uitzonderingen er kunnen zijn op het verbod om te doden. De regel zelf staat nauwelijks ter discussie.
Discussie is er ook over de waarde van het onderscheid tussen ‘actieve’ en ‘passieve euthanasie’. Hoewel niet-behandelen soms even problematisch kan zijn als actieve euthanasie, zijn de meeste bronnen in de christelijke traditie het erover eens dat het actieve doden van een mens, ‘other things being equal’, problematischer is dan de beslissing om ‘de natuur zijn loop te laten nemen’. Een ander punt van discussie is of sterven dat een bij-effect is van het gebruik van morfine of dormicum, valt onder de noemer ‘euthanasie’.
Protestanten kunnen hier nog veel leren van het katholieke principe van de ‘handeling met het dubbele effect’. Volgens dat principe is er een verschil tussen de dood die we uitdrukkelijk met het handelen beogen, en een dood die een bij-effect is van een palliatieve behandeling die slechts verlichting van het lijden beoogt. Als medicatie die nodig is om verlichting te brengen voor pijn en onrust de dood tot gevolg heeft, is dit geen euthanasie.
In de afgelopen twee decennia hebben nieuwe middelen tegen pijn, angst, jeuk, extreme moeheid en misselijkheid bijgedragen aan een efficiëntere palliatieve zorg. In Nederland blijkt palliatieve sedatie (iemand in een kunstmatig coma brengen in afwachting van zijn ‘natuurlijke dood’) steeds meer toegepast bij patiënten die nog slechts een week te leven hebben. Nieuwe ontwikkelingen in de palliatieve zorg zullen de vraag naar euthanasie verder doen afnemen. Tegelijkertijd zal de vraag om hulp bij zelfdoding ingeval van psychisch of sociaal lijden (‘Pil van Drion’) naar verwachting stijgen. Binnen Protestantse kerken is er voor deze ontwikkeling relatief weinig draagvlak.
Auteur
Dr. Theo Boer, Universitair Docent ethiek aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) te Utrecht en lid van een Regionale Toetsingscommissie Euthanasie
Verder lezen
Theo Boer (eindred.), Aart Hoogerwerf, Wim Golsteijn, Jaap Rebel en Ploni Robbers-van Berkel, Medische beslissingen rond het levenseinde: pastorale en morele overwegingen, Utrecht Protestantse Kerk in Nederland, 2006
H.M. Kuitert, Mag er een einde komen aan het bittere einde? Levensbeëindiging in de context van stervensbegeleiding, Baarn 1993
Paul Lieverse e.a., Dood gewoon? Perspectieven op 35 jaar euthanasie in Nederland, Amsterdam 2005