Aanmoedigen van matig gebruik van alcohol en/of streven naar geheel-onthouding in Nederland.
Drankmisbruik werd in het midden van de negentiende eeuw een structureel probleem door de industrialisatie van de samenleving. Door verzakelijking van relaties verminderde de onderlinge sociale controle. De gevolgen van dronkenschap werden merkbaar in de toename van huiselijk geweld, ongevallen en verslechterende gezondheidstoestand van arbeiders.
Na een aantal plaatselijke initiatieven richtte in 1842 een aantal artsen en hervormde predikanten naar Amerikaans voorbeeld de Nederlandse Vereniging tot Afschaffing van Sterken Drank (NV) op. Tot aan het eind van de negentiende eeuw had de NV een expliciet christelijk karakter.
De organisatie wilde de bevolking bewust maken van het probleem, maar slaagde er niet in om een maatschappelijke omwenteling te veroorzaken, al voerde ze campagne om via wetgeving het aanbod van sterke drank te verminderen. Na 1880 ontstonden meer organisaties die het patroon van de verzuiling volgden en naast het aanmoedigen van matig gebruik geheelonthouding bepleitten.
In 1881 richtte de sociaal bewogen predikant C.S. Adama van Scheltema de radicalere Nederlands Christelijke Geheelonthouders Vereeniging (NCGOV) op. Ook de NV ging in 1899 onder invloed van de sociaal-democraten tot het geheelonthoudersstandpunt over. In 1893 kreeg Nederland afdelingen van de Internationale Orde van Goede Tempelieren (IOGT), een van huis uit Amerikaans genootschap dat onthouding van elke vorm van alcohol voorschreef en zich richtte op het begeleiden van dronkaards.
Rond 1900 waren twintig verenigingen actief, die elk hun eigen achterban aanspraken. In 1895 gaf priester Alfons Ariëns de stoot tot de oprichting van de rooms-katholieke matigheidsbeweging Sobriëtas. In 1900 stichtten gereformeerden een eigen Gereformeerde Vereeniging voor Drankbestrijding (GVVD). Daarnaast organiseerden specifieke doelgroepen als artsen, onderwijzers, predikanten en spoorbeambten zich. De overheid begon in die tijd subsidies te verstrekken.
Het hoogtepunt van de ‘blauwe beweging’ lag in de periode van 1900 tot 1925 toen gezamenlijk campagne gevoerd werd voor ‘plaatselijke keuze’, een wetsvoorstel dat aan elke gemeente het recht zou geven om alcohol te weren.
Naast gemeenschappelijke actie en buitenlandse inspiratie hadden de grootste christelijke organisaties verschillende motieven en strategieën. De bloei van Sobriëtas was een gevolg van een dubbele emancipatie: van de arbeider, die bovendien beschermd moest worden tegen socialistische verleidingen, en van het katholieke volksdeel, dat een volwaardige plek in de samenleving moest verwerven.
De protestantse organisaties boden principiële bijbelse argumenten om geheelonthouding te stimuleren als teken van verantwoordelijkheid jegens de medemens. De katholieken steunden meer op het kerkelijk gezag, dat alcohol als een gave Gods zag en matigheid als deugd propageerde. De kerkelijke hiërarchie beschouwde geheelonthouding als te radicaal, en steunde het alleen als optie voor de sterken. De hechtgeorganiseerde protestantse verenigingen verweten hun kerken laksheid in de strijd tegen alcohol.
Na de Tweede Wereldoorlog nam de overheid hulpverlening en voorlichting grotendeels over; de uitvoering ervan werd overgedragen aan consultatiebureaus en instellingen voor gezondheidszorg. Een nieuwe vorm voor particuliere hulp kreeg in Nederland voet aan de grond met de Anonieme Alcoholisten (AA) in de jaren vijftig. Deze beweging behoort strikt gesproken niet tot die van de drankbestrijders omdat ze zich richt op de onderlinge steun van alcoholisten die van de drank af willen en niet op beleid. Wel speelt in de aanpak van het alcoholisme het besef van een ‘hogere kracht’ een belangrijke rol, waardoor de beweging een niet-specifiek religieus karakter heeft.
In de jaren zestig van de twintigste eeuw zette het verval van de drankbestrijdingorganisaties in als gevolg van de acceptatie van het geregelde sociale drinken en de verbeterde sociale voorzieningen. In de jaren negentig hieven de verenigingen zichzelf op of verlegden hun activiteiten. De GVVD en de NCGOV fuseerden in 1987 tot de Christelijke Beweging voor Drankbestrijding (CBD), die zich in 2002 ophief wegens gebrek aan belangstelling. Sobriëtas heeft haar doelstelling in 1994 verbreed tot bezinningsforum voor een sobere levensstijl gericht op duurzaamheid en milieubescherming, een richting die al in de jaren twintig was ingeslagen.
Auteur
J.L. Krabbendam [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Jan-Willem Gerritsen, De politieke economie van de roes. De ontwikkeling van reguleringsregimes voor alcohol en opiaten (Amsterdam 1993)
J.C. van der Stel, Drinken, drank en dronkenschap. Vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland (Hilversum 1995)
Hans Krabbendam, ‘Hoera voor ’t helder water! Kerk en drankbestrijding in Amerika en Nederland 1835-1935’, in: Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800 XLVI (juni 1997): 3-29
Zie ook
Adama van Scheltema (2009)