Kritische beweging in de geestelijke gezondheidszorg tijdens de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw.
Volgens de antipsychiatrie waren bepaalde structuren in de inrichtingspsychiatrie achterhaald en soms zelfs inhumaan, zoals behandeling met elektroshock en psychofarmaca. Meer dan organische (hersen)ziekte zou de sociale omgeving de oorzaak zijn van de ‘stoornissen’ van de patiënt. Vragen werden gesteld bij de bepaling door de medisch opgeleide psychiater wie ‘normaal’ zou zijn.
De psychiatrie werd gezien als machtsmiddel in handen van de staat: wie non-conformistische ideeën of gedrag vertoonde, zou als ‘gek’ geëlimineerd worden. Binnen de antipsychiatrie bestond een tendens geestelijke stoornissen te romantiseren: psychiatrische patiënten zouden meer in contact zijn met hun ‘ware zelf’ en zouden minder hypocriet zijn dan ‘normale’ mensen. De beweging hing typisch samen met het toenmalige kritische en antiautoritaire geestesklimaat in het Westen. Bekendste Nederlandse vertegenwoordiger was Jan Foudraine (1929).
Auteur
J.A. van Belzen [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
G. Blok, Baas in eigen brein. ‘Antipsychiatrie’ in Nederland, 1965-1985 (Amsterdam 2004)