Kunstmatig afbreken van een zwangerschap in het lichaam van de moeder.
Deze vorm van abortus moet onderscheiden worden van een spontane abortus die een miskraam tot gevolg heeft. Globaal gesproken kunnen we zeggen dat tot 1970 abortus provocatus een medisch ongeoorloofde handeling was. De eed van Hippocrates (vijfde eeuw v. Chr.), die duizenden jaren gezag had als medische standaard, wees abortus provocatus af. In de westerse wereld ontstond verschil van mening over het afbreken van een zwangerschap die levensbedreigend voor de moeder was. Deze zogenaamde medische indicatie voor abortus provocatus werd door protestantse ethici moreel aanvaard, terwijl in de rooms-katholieke moraaltheologie het redden van het leven van het kind boven dat van de moeder ging. Gemeenschappelijk werden echter alle andere indicaties voor abortus provocatus afgewezen. Het betreft dan indicaties waarin niet ‘zijn’ tegenover ‘zijn’, maar ‘zijn’ tegenover ‘welzijn’ staat. Te denken valt aan abortus provocatus op grond van de eugenetische indicatie, ter voorkoming van een mentaal of lichamelijk zwaar gehandicapt kind; de psychosociale indicatie, ter voorkoming van psychische conflicten en spanningen (bijvoorbeeld wegens slechte relatie in huwelijk, moeite in gezin en met omgeving); de sociale indicatie, ter voorkoming van grote sociale problemen (bijvoorbeeld onderbreking van studie, gebrek aan behuizing, overschrijding van gewenste gezinsgrootte).
Een geheel ander klimaat rond abortus provocatus ontstond door de seksuele revolutie in de tweede helft van de twintigste eeuw. Daarin werd een zwaar accent gegeven aan de autonome beslissing van de zwangere vrouw zelf. Ten gevolge daarvan doen indicaties vandaag in de praktijk weinig meer ter zake; alleen het stadium van zwangerschap is nog van belang. Hoe verder de zwangerschap is voortgeschreden, hoe moeilijker abortus provocatus wordt aanvaard.
Opvallend genoeg leidt zwangerschapsafbreking in het allereerste stadium nog tot discussies. Men onderscheidt in de zwangerschap vaak het pre-embryo (eerste tot veertiende dag) van het embryo (veertien dagen tot ongeveer de derde maand) en de foetus (derde tot negende maand). Strikt genomen gaat het in het pre-embryostadium niet om abortus provocatus in de zin van de hierboven gegeven definitie, omdat we niet met een baarmoederlijke zwangerschap maar met in-vitrofertilisatie te maken hebben. Door deze techniek van bevruchting in het laboratorium, met de daarop volgende inplanting van bevruchte embryo’s in het lichaam van de vrouw, zijn zwangerschappen mogelijk die anders uitgesloten waren. Maar het is nu ook mogelijk om niet gebruikte pre-embryo’s voor wetenschappelijke doeleinden te gebruiken of voor die doeleinden zelfs pre-embryo’s te kweken en na gebruik te vernietigen. Dat leidt tot soortgelijke vragen als bij abortus provocatus: mag men menselijk leven vernietigen? Maakt het verschil of we met pre-embryo’s, embryo’s of foetussen te maken hebben?
Het christelijk standpunt, met name verdedigd door de Rooms-Katholieke Kerk, stelt dat de vrucht vanaf de conceptie (samensmelting van zaad- en eicel) een mens is en als zodanig volledig beschermwaardig. Het gaat, anders gezegd, vanaf het prilste begin over een mens-in-ontwikkeling, die daarom beschermwaardig is. Anderen spreken over de vrucht als een potentieel mens met een toenemende beschermwaardigheid naarmate de zwangerschap vordert. Weer anderen verklaren de vrucht voor niet-beschermwaardig, tot aan de geboorte toe.
Het oordeel over abortus provocatus hangt samen met onze visie op de mens. Is de mens een bijzonder wezen onder alle schepselen, of is het een vorm van racisme (volgens P. Singer: speciëcisme) om zelfs het gehandicapte menselijke leven hoger te achten dan het leven van een chimpansee of een dolfijn? Volgens het christelijk standpunt onderscheidt de mens zich van alle andere wezens door zijn schepping naar het beeld van God. Daarop is het gebod ‘Gij zult niet doden’ gebaseerd. Ook de houding van Jezus, die zijn barmhartigheid juist uitstrekte naar wat zwak en weerloos was onder de mensen, is van betekenis voor het beoordelen van abortus provocatus.
Auteur
J. Douma [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
T.L. Beauchamp en J.F. Childress, ‘De morele positie van de ongeborene’, in: T.L. Beauchamp en J.F. Childress (red.), Principles of Biomedical Ethics (Oxford 1994 4de druk)
J. Douma, ‘Abortus provocatus’, in: T.L. Beauchamp en J.F. Childress, Medische ethiek (Kampen 1997)
P.Deij en J. Teekman, Abortus een levensbesluit (Utrecht 2002)