Oostenrijks-Brits filosoof (Wenen 26.4.1889 - Cambridge 29.4.1951)
Ludwig Wittgenstein studeerde bij Bertrand Russell in Cambridge van 1911 tot 1914 en werkte er, met enige onderbrekingen, van 1929 tot 1947 (vanaf 1939 als hoogleraar). In Wittgensteins werk worden twee perioden onderscheiden: de vroege periode (Wittgenstein I), waarin de Logisch-philosophische Abhandlung (Leipzig 1921) verscheen en de Tractatus Logico Philosophicus (Londen 1922), en de late periode, culminerend in de Philosophische Untersuchungen (postuum, Oxford 1953).
Wittgenstein I formuleerde een afbeeldingstheorie van de taal, waarin zinnen een soort ‘afbeeldingen’ van feiten uit de empirisch waarneembare werkelijkheid zijn. Hij had grote invloed op het neopositivisme van de Wiener Kreis. Wittgenstein laat de mogelijkheid van het bestaan van God open, maar zegt wel, dat wij daarover niet kunnen spréken. Wittgenstein II verwerpt de obsessie voor de betekenis van taal en richt zich in plaats daarvan op het gebruik ervan. Elk mens neemt deel aan een aantal Lebensformen (praktijken), die een eigen Sprachspiel hebben, dat wil zeggen: geregeerd worden door eigen regels en een eigen taalveld. De regels van het schaakspel gelden niet in de liefde, die van de religie niet in de wetenschap. Wie verschillende praktijken door elkaar haalt, begaat een categoriefout. Elke praktijk gaat uit van bepaalde veronderstellingen, die binnen die praktijk onbewijsbaar zijn. Zo gaan wij er in onze omgang met andere mensen van uit, dat zij other minds (onafhankelijke bewustzijnscentra) zijn, een veronderstelling die wij niet kunnen bewijzen. En zo gaan wij er in het geloof vanuit dat God bestaat; opnieuw een veronderstelling die wij niet kunnen bewijzen.
In de godsdienstfilosofie ontstond onder invloed van Wittgenstein II het Wittgensteiniaans fideïsme, dat sterke nadruk legt op de eigen regels van het religieuze taalspel en dat elke poging om buiten dat taalspel om over God te spreken als een misverstand ziet. Godsbewijzen zijn dan zowel onmogelijk als overbodig, en men komt op pragmatische gronden tot geloof.
Auteur
Marcel Sarot [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Anthony Kenny (ed.), The Wittgenstein Reader (Oxford 1994)