De Verlichting is een achttiende-eeuwse Europese cultuurstroming die grote nadruk legt op de vermogens van de menselijke rede.
Het begrip Verlichting (Duits: Aufklärung), dat duidt op het licht dat de rede kan schenken in de duisternis veroorzaakt door vooroordeel, bijgeloof en blind vertrouwen op autoriteit, kwam pas in de laatste decennia van de achttiende eeuw in zwang en werd nog tot ver in de negentiende eeuw gebruikt als aanduiding voor een actueel streven naar verbetering van cognitief en moreel inzicht. Daarna werd het echter gebruikelijk om het einde van de Verlichting te laten samenvallen met het einde van de achttiende eeuw als ‘eeuw van de rede’. Over het beginpunt is minder eenstemmigheid. Sommigen laten de Verlichting pas in het midden van de achttiende eeuw beginnen, anderen plaatsen de aanvang al rond het midden van de zeventiende eeuw, als de moderne wijsbegeerte van Francis Bacon en René Descartes terrein wint. Het meest gebruikelijk is het echter om het begin van de Verlichting te plaatsen in de laatste decennia van de zeventiende eeuw. In de twintigste-eeuwse historiografie werd met Verlichting aanvankelijk vooral het denken van een kleine groep philosophes aangeduid; vanaf de jaren zestig werd het steeds meer een brede cultuurhistorische aanduiding.
De Verlichting kan men zien als een reflectie op de kennistoename door de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw en als een reactie op de maatschappelijke en politieke verdeeldheid die in Europa was ontstaan als gevolg van de godsdienstige hervormingen van de zestiende eeuw. Men kan een aantal karakteristieken noemen die in steeds wisselende verhoudingen voorkwamen:
1. Rede. Het geloof in de kracht van het verstand uitte zich in een vertrouwen op de orde van de natuur. Studie van de natuur leverde niet alleen kennis op over de fysieke werkelijkheid, maar ook informatie omtrent maatschappij, moraal en godsdienst. De ordelijkheid van de natuur ondermijnde een magisch wereldbeeld waarin krachten en wonderen een grote rol speelden.
2. Kritiek. Bestaande opvattingen en maatschappelijke tradities en instellingen werden aan een zelfstandig kritisch onderzoek onderworpen. Het gezag van klassieke sacrale en profane teksten, zo kenmerkend voor het humanisme van de zestiende eeuw, werd ondergraven. De Querelle des Anciens et des Modernes werd ten gunste van de laatsten beslist.
3. Sociabiliteit. In geleerde tijdschriften en deftige genootschappen en salons werd de vrije gedachte-uitwisseling en het onderlinge debat beoefend. Dit leidde tot principiële pleidooien voor de vrijheid van meningsuiting tegenover de aloude opvatting dat de ongebondenheid van de onderdanen aan banden moest worden gelegd.
4. Deugdzaamheid. De waardigheid van de mens werd een centraal uitgangspunt van de ethiek. Moraal werd gezien als het hoofddoel van filosofie en religie, die vaak nauwelijks onderscheiden werden. Centraal stond het menselijk streven naar geluk in dit leven.
5. Gelijkheid en vrijheid. Tot diep in de maatschappij drong het besef door dat alle mensen vrij en gelijk werden geboren en dat eventuele ongelijkheid en onvrijheid alleen op grond van verdienste of uit maatschappelijke noodzaak te rechtvaardigen was. Er was een breed streven naar emancipatie en humanisering.
6. Vooruitgangsgeloof. Diep drong het besef door dat verbetering van maatschappelijke en persoonlijke omstandigheden daadwerkelijk mogelijk was. Nut werd een belangrijke maatstaf voor het handelen.
Gezien vanuit de nakomende eeuwen kan men de Verlichting zien als een belangrijke fase in de modernisering, die daarbij een bewust streven werd, maar tegen de achtergrond van het verleden kan men de Verlichting ook beschouwen als de laatste fase van een harmonieus wereldbeeld. Kennis, ethiek en religie waren nog innig verbonden. Kennis van de natuur leidde tot inzicht in de bestemming van de mens. Typerend hiervoor is de Encyclopédie (1751-1780) onder redactie Denis Diderot en J.L. d’Alembert, waarin alle beschikbare kennis in een groot samenhangend geheel bijeen werd gebracht. Sommige geleerden onderscheiden vele nationale verlichtingen, waarbij elk land zijn eigen specifieke Verlichting zou kennen. In een katholiek land als Frankrijk zou de Verlichting vooral antiklerikaal en soms antigodsdienstig zijn geweest, terwijl in Nederland vooral een christelijke of zelfs reformatorische Verlichting dominant zou zijn geweest.
Een ander onderscheid is die tussen de gematigde hoofdstroom van de Verlichting en een - soms subversieve en clandestiene - onderstroom van de Radicale Verlichting. De eerste zou dan vooral aanknopen bij het denken van John Locke en Gottfried Wilhelm Leibniz en goed samengaan met een rationaliserende interpretatie van het geopenbaarde christendom. De laatste zou zijn inspiratie vinden in het denken van Spinoza en een atheïserende strekking kennen. Het grensgebied tussen beiden wordt dan gevormd door het deïsme of een theïsme dat zich op een natuurlijke religie baseert.
Het denken van Immanuel Kant, met zijn scherpe scheiding tussen wat men theoretisch weten kan en wat men praktisch geloven moet, en de nadruk van de Romantiek op verbeeldingskracht en gevoel maakte een eind aan het optimistische, harmonieuze wereldbeeld van de Verlichting.
Auteur
Jan Dirk Snel [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Peter Gay, The Enlightenment. An Interpretation. 1. The Rise of Modern Paganism. 2. The Science of Freedom (Londen 1966-1969)
Jan Willem Buisman, Tussen vroomheid en Verlichting. Een cultuurhistorisch en sociologisch onderzoek naar enkele aspecten van de Verlichting in Nederland (1755-1810). 2 banden (Zwolle 1992)
Jonathan Israel, Radicale verlichting (Franeker 2004)