Term die verwijst naar het denken van Thomas van Aquino én naar de theologie en filosofie die zich op hem beroepen.
Voor het denken van Thomas wordt liever de term ‘thomaans’ (of ‘thomanisch’) gebruikt, omdat uit historisch en kritisch onderzoek is gebleken dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen zijn denken en dat van de latere theologie en filosofie. Voor de latere afleidingen wordt de term ‘thomistisch’ gereserveerd.
In het thomisme worden vier periodes onderscheiden. In het vroege thomisme (eind dertiende -begin vijftiende eeuw) ligt de nadruk op het verdedigen van Thomas’ gedachtegoed tegen aanvallen uit ander scholen of ordes (de zogenaamde Correctoriastrijd). Een van de hoofdfiguren uit deze periode is Capreolus (overleden in 1444). De tweede periode (midden vijftiende eeuw - midden zestiende eeuw) wordt ook wel het klassieke thomisme genoemd. De nadruk ligt dan op het commentariëren van met name de Summa Theologiae, die in deze periode het handboek voor de universiteiten is geworden. Het commentaar van Cajetanus, ontstaan tussen 1507-1522, is een van belangrijkste en invloedrijkste: het wordt de Thomasinterpretatie bij uitstek. In de kritische Leonina-uitgave wordt het met de Summa afgedrukt. Deze praktijk van commentariëren zet zich ook door in de latere periodes. In de periode na het concilie van Trente (1545-64) wordt het thomisme gekarakteriseerd door interne discussies en door externe discussies met de Reformatie. De vierde periode, het neothomisme, loopt vanaf het midden van de negentiende tot het midden van de twintigste eeuw, met uitlopers in de eenentwintigste.
Auteur
H.W.M. Rikhof [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]