Filosofische stroming die zich als reactie op het existentialisme vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw vooral vanuit de menswetenschappen ontwikkelde.
Het structuralisme stelt niet het menselijk subject centraal maar gaat ervan uit dat de werkelijkheid betekenis krijgt doordat het subject zich invoegt in een voorafgegeven systeem, waarvoor gewoonlijk de taal model staat. Veel structuralisten grijpen daarbij terug op de taaltheorieën van linguïsten als Ferdinand de Saussure (1857-1913) en Roman Jakobson (1896-1982). De antropoloog Claude Lévi-Strauss (1908) wordt wel als de aartsvader van het structuralisme beschouwd. Daarnaast rekent men de psychoanalyticus Jacques Lacan (1901-1981), de literatuurtheoreticus Roland Barthes (1915-1980) en de historicus Michel Foucault ertoe.
Vanaf de jaren zeventig keren de laatste twee zich tegen de rigide uitgangspunten van het structuralisme en komt het ‘poststructuralisme’ tot bloei, dat de nadruk legt op de veranderlijkheid van het betekenisveld en de onmogelijkheid dat geheel te doorgronden. Belangrijke vertegenwoordigers hiervan zijn Gilles Deleuze (1925-1995) en Jacques Derrida (1930-2004).
Auteur
G. Groot [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
E. Berns e.a., Denken in Parijs (Alphen aan den Rijn/Brussel 1979)
V. Descombes, Le même et l’autre (Parijs 1979)