Zowel een filosofisch als kerkhistorisch begrip. Het hoofdkenmerk van spiritualisme in de filosofie is dat de ware werkelijkheid alleen toegekend wordt aan de geest en het geestelijk centrale.
Kerkhistorisch duidt het al die stromingen aan, in het verleden en heden, die het christendom beschouwen als een geestelijke kracht en daarom elke kerkorde, organisatievorm, dogma’s en ook sacramenten afwijzen. Het gaat ervan uit dat er een directe relatie bestaat tussen de Heilige Geest en de individuele mens, waardoor slechts de innerlijke geloofservaring en mystieke beleving van belang zijn.
In deze visie van de persoonlijke geloofsbeving is de historiciteit van de bijbelse heilsfeiten slechts van ondergeschikt belang. Er zijn vele spiritualistische bewegingen en personen vanaf het begin van het christendom actief geweest. Voorbeelden zijn: de gnostiek, Joachim van Fiore (1130-1202), de Rijnlandse mysticus Meister Eckhart, Joh. Tauler (1300-1361), de laat-middeleeuwse Broeders van de Vrije Geest, Sebastian Franck (1499-1542), Sebastian Castellio (1515-1563) en een aantal doperse bewegingen in het begin van de Reformatie.
Op dit ogenblik speelt het een rol bij de quakers en bij bepaalde groeperingen binnen het methodisme.
Auteur
E.G. Hoekstra [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Pieter Elich, Leven in de eindtijd. Ondergangsstemmingen in de middeleeuwen (Hilversum 1996)
Auke Jelsma, ‘Mystiek bij Quakers en Methodisten’, in: Joris Baers e.a. (red.), Encyclopedie van
de mystiek. Fundamenten, tradities, perspectieven (Kampen-Tielt 2003), p. 768-779