Nederlands filosoof (Amsterdam 24 november 1632 – Den Haag 21 februari 1677)
Baruch de Spinoza was de derde zoon van een joodse koopman die in het Portugese Vidigere was geboren en begin zeventiende eeuw, omwille van zijn geloof, naar Amsterdam was uitgeweken. Baruch werd in 1632 in Vlooienburg geboren, een eilandje in de jodenbuurt, het huidige Waterlooplein.
Spinoza kreeg een traditioneel joodse opvoeding, leerde Hebreeuws en bestudeerde de thora, maar hield zich ook bezig met wereldse bezigheden als natuurwetenschap en astronomie. Ook bekwaamde hij zich als lenzenslijper. Na het overlijden van zijn vader, in 1654, begon Spinoza, samen met zijn jongere broer Gabril, een exportfirma in groenten.
Twee jaar later werd Spinoza uit de Amsterdamse joodse gemeenschap verbannen en moest hij zich uit de handelsfirma terugtrekken. De reden van zijn verbanning is onduidelijk. Filosofische opvattingen kunnen een rol hebben gespeeld: Spinoza ontkende dat de thora van Gods hand was en geloofde niet in de onsterfelijkheid van de ziel. Voorts weigerde hij zich te houden aan de mores van de joodse gemeenschap. Maar ook waren financiële perikelen in het geding. Spinoza weigerde de schulden uit zijn vaders erfenis te accepteren. Hiertoe liet hij zich, naar Nederlands recht, minderjarig verklaren, terwijl hij volgens de joodse wetten al vanaf zijn dertiende volwassen was.
Ondanks zijn verbanning bleef Spinoza, die zijn joodse voornaam Baruch veranderde in het Latijnse Benedictus, aanvankelijk in de hoofdstad wonen. Hij volgde lessen Latijn bij Franciscus van den Enden die deel uitmaakte van een kring vrijdenkers. Via Van den Enden kwam Spinoza in aanraking met de denkbeelden van onder meer Erasmus, Calvijn, More en Descartes. Laatstgenoemde zou Spinoza het meeste beïnvloeden. Zijn eerste gepubliceerde werk, geschreven in Rijnsburg waarnaar hij in 1660 was verhuisd, was een bewerking van Descartes’ Principia philosophiae.
In 1670 verscheen – anoniem – Tractatus theologico-Politicus waarin Spinoza pleitte voor volledige vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid, zonder inmenging van theologen. Theologie en filosofie moesten strikt worden gescheiden. Dat theologen zich op Gods woord beriepen was voor Spinoza aanleiding tot een fundamentele analyse van de bijbel, waarmee hij geldt als een van de grondleggers van het historisch-kritische bijbelonderzoek. Volgens Spinoza waren de bijbelboeken historisch gegroeide teksten, opgeschreven door mensen en aangepast aan hun bevattingsvermogen. Tijdgenoten beschuldigden hem van atheïsme, wat hij van de hand wees. Hij benadrukte de intellectuele liefde tot God, in de zin dat de leer van de bijbel neerkomt op het gebod ‘God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf’.
Spinoza’s belangrijkste werk, Ethica, verscheen kort na zijn dood, in 1677. Het was een meetkundige uiteenzetting van zijn visie op de werkelijkheid en de mens. Hierin werd God voorgesteld als identiek aan de natuur waarin alles in een oneindige samenhang met elkaar was verbonden. De mens werd gedreven door hartstochten, maar de macht van het verstand kon hem hiervan bevrijden.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
31 oktober 2008
Verder lezen
H.A. Krop, Spinoza’s Ethica (Amsterdam 2002)
S. Nadler, Spinoza (Amsterdam 2007)
Informatie op internet
Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letterkunde
Joods Historisch Museum
Universiteit Utrecht
- SPINOZA, BENEDICTUS DE (versie 2005)
Nederlands filosoof van Portugeesjoodse huize (Amsterdam 24.11.1632 - Den Haag 21.2.1677)
Door de ban in 1656 verstoten uit zijn Amsterdamse religieuze gemeenschap (waarna zijn voornaam veranderde van Baruch in Benedictus), woonde hij vervolgens in Rijnsburg, Voorburg en Den Haag. Hij voorzag in zijn levensonderhoud als lenzenslijper, een wetenschappelijk ambacht. Tijdens zijn leven publiceerde Spinoza slechts een inleiding in de filosofie van Descartes (1663) en anoniem de Tractatus theologico-Politicus (1670). Dit boek was een pleidooi voor het goed recht van overheid inzake religieuze aangelegenheden en voor de vrijheid van denken. Tevens bevatte het een vroege proeve van historisch-kritisch bijbelonderzoek: de bijbelboeken waren menselijke producten, aangepast aan het menselijk bevattingsvermogen. De dubbele liefde tot God en de naaste vormt de grondslag van de godsdienst: een deugdzaam leven is ook zonder de hogere kennis van de filosofie mogelijk.
Nog in het jaar van zijn dood verschenen de Opera posthuma, die behalve brieven en drie kleinere, onvoltooide werken de tekst van de twee jaar eerder voltooide Ethica bevatten. In dit werk zet Spinoza zijn visie op de werkelijkheid en de mens op een strikt meetkundige wijze uiteen; elk van de vijf hoofdstukken begint met definities en axioma’s.
Uitgangspunt voor Spinoza is God, de enige bestaande, oneindige substantie, die oneindig vele attributen heeft. Spinoza ontwierp een strikt monistisch stelsel. God is identiek aan de natuur. Lichaam en geest vormen dezelfde bestaanswijze (modus), beschouwd onder de twee kenbare attributen: uitgebreidheid en denken. Spinoza geeft vervolgens een analyse van de hartstochten waar de mens onontkoombaar aan ontworpen is, maar de macht van het verstand om de noodzakelijkheid daarvan in te zien, schenkt vrijheid.
Tijdgenoten zagen in Spinoza’s vereenzelviging van God en de natuur meestal atheïsme. Zelf verwierp hij deze interpretatie en benadrukte hij de intellectuele liefde tot God. Later werd zijn systeem pantheïsme genoemd. De mystieke Spinoza-traditie legt de nadruk legt op het goddelijke, de meer atheïstisch-materialistische op het natuurlijke aspect.
Auteur
Jan Dirk Snel [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Steven Nadler, Spinoza. A Life (Cambridge 1999)