Wetenschapsbeoefening zoals die in de Middeleeuwen is ontwikkeld.
De term verwijst naar de institutionele omgeving van die wetenschapsbeoefening: de (kathedraal)school, waaruit vanaf het eind van de twaalfde eeuw de eerste universiteiten met onderscheiden faculteiten (theologie, filosofie, rechten, medicijnen) ontstaan. Scholastiek kan verschillende aspecten van die middeleeuwse wetenschapsbeoefening aanduiden. De term kan verwijzen naar de periode, waarbij een onderscheid gemaakt wordt in vroegscholastiek (negende - elfde eeuw), hoogscholastiek (twaalfde - dertiende eeuw ) en laatscholastiek (veertiende - vijftiende eeuw). De term kan ook verwijzen naar de karakteristieke methode van die middeleeuwse wetenschapsbeoefening.
In het onderwijs van alle wetenschapsrichtingen kan men twee vormen onderscheiden die elk ook hun weerslag hebben in publicaties. De ene vorm is de lectio, het lezen, uitleggen en commentariƫren van teksten waaraan
een grote autoriteit wordt toegekend (de Schrift, kerkvaders, filosofen, decreten, geschriften uit de oudheid). Deze lezing kan zowel cursorisch als regel voor regel plaatsvinden. De schriftelijke weerslag van de lectio is het commentaar. Uit de lectio ontwikkelt zich langzamerhand de disputatio als tweede vorm. Naar aanleiding van de tekst ontstaan namelijk discussies (over uiteenlopende interpretaties, of over inhoudelijke kwesties), waarin argumenten voor en tegen worden gepresenteerd en afgewogen (quaestio). Deze discussies komen gaandeweg los te staan van de tekstlezing en krijgen binnen de universiteiten de vorm van de disputatio door de magister. De schriftelijke weerslag van deze tweede vorm van onderwijs is de summa, een systematisch geordende monografie.
Auteur
H.W.M. Rikhof [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]