Filosoof, opera- en romanschrijver (Genève 28.6.1712 - Parijs 2.7.1778)
Jean-Jacques Rousseau groeide op in een calvinistische omgeving, belandde na een zwervend bestaan in 1742 in Parijs en kwam hier in nauw contact met de filosofen van de Verlichting. Zijn zelfstandige gedachtevorming werd uitgelokt door een essayprijsvraag van de Academie van Dijon over de vraag of kunsten en wetenschappen ook zedelijke vooruitgang met zich brengen. Rousseau’s ontkennende antwoord, Discours sur les Sciences et les Arts (1750), werd bekroond.
Een tweede inzending Discours sur l’Origine et les Fondements de l’Inegalité parmi les Hommes (1755) werd niet bekroond, maar bracht Rousseau nog meer roemruchtheid. In de essays stelt Rousseau dat de ontwikkeling van de cultuur mensen vervreemdt van hun natuurlijke, aangeboren vrijheid en deugdzaamheid. Zijn geschriften werden als schokkend ervaren door zowel conservatieven als verlichters. Rousseau voelde zich de laatste twintig jaar van zijn leven opgejaagd en zwierf tussen 1762 en 1770 opnieuw veel rond.
Op drie centrale punten keert Rousseau zich tegen de heersende Verlichtingsmode (maar radicaliseert deze tegelijk) en markeert hij de overgang naar de Romantiek: hij plaatst natuur boven cultuur, gemeenschap boven individu, gevoel en wil boven verstand. Men voelt hier echter aan alle kanten spanning: Rousseau ‘cultiveerde’ het natuurlijke, wilde bewust rationeel argumenteren (ook inzake religie) en zelden was iemand zozeer ‘individu’ als hij, getuige vooral zijn onstuimige, postuum gepubliceerde zelfanalyses, zoals Confessions (1781). ‘De mens is vrij geboren en overal is hij in ketenen’, luidt de openingszin van Du Contrat Social (1762).
Hiermee is het hoofdthema aangeduid van al zijn werken: hoe kan de vervreemding tussen mens en samenleving/cultuur overwonnen worden? In dit werk stelt hij dat een mens op maatschappelijk niveau zijn vrijheid pas kan herwinnen als ieder vrijelijk de eigen wil laat samenvloeien in een ‘algemene wil’ (volonté generale) en zich zo dus echt als gemeenschapswezen kan ervaren. Op grond van deze constructie is hij wel ‘vader van het totalitarisme’ genoemd, maar men kan hem ook vanwege zijn analyse van de onderdrukkende werking van instituties, vader van het anarchisme noemen. Deze spanning keert terug in zijn opvoedingsfilosofie in de roman Émile (1763). Het doel van opvoeding wordt hier voorgesteld als bescherming van de natuurlijke ongecompliceerdheid van het kind en als voortdurende bevrijding van alle maatschappelijke, vervreemdende invloeden. Hierin ook de beruchte antiklerikale, deïstische ‘geloofsbelijdenis van een Savoyaards geestelijke’. De antiautoritaire opvoeding (rond 1970) greep op Rousseau terug.
Na de Franse revolutie, waarvan hij als wegbereider wordt gezien, werd in 1794 zijn lichaam bijgezet in het Parijse Panthéon.
Auteur
G.J. Buijs [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Ronald Grimley, The Philosophy of Jean-Jacques Rousseau (Londen 1973)
R.F. Beerling, Het cultuurprotest van Jean-Jacques Rousseau (Deventer 1977)