Vermogen van mensen om denkend te onderzoeken wat waar is of onwaar, wat juist is of onjuist.
Iemand laat zich leiden door de rede als hij zijn gedrag baseert op de uitkomsten daarvan. Er is een oude traditie die leert dat de rede het kenmerkende verschil uitmaakt tussen mens en dier, maar daarmee is geen eenstemmigheid gegeven over de aard en de reikwijdte van de rede. De rede is vaak geprezen als middel tot verweer tegen obscurantisme en willekeur. Mensen kunnen verblind of misleid worden door hun eigen wensen, angsten en driften. Ze kunnen ook slachtoffer worden van manipulatie door anderen. De rede kan mensen daartegen wapenen zodat ze kritisch enige afstand nemen en voors en tegens tegen elkaar afwegen.
In christelijke kring is de rede nogal eens met argwaan beschouwd. De gedachte is dan dat geloof kinderlijk vertrouwen vraagt. De rede zou de mens maar al te gemakkelijk verleiden tot eigenzinnigheid en zo van God vervreemden. Daartegenover is betoogd dat de rede een gave van God aan de mensen is, waarover de bijbel in positieve termen spreekt. De mens kan de rede – zoals alles wat hij gekregen heeft – overschatten of zelfs tot afgod maken, maar dat sluit waardering voor de rede niet uit.
In de tweede helft van de twintigste eeuw hebben filosofen (Hans-Georg Gadamer, Charles Taylor) betoogd dat de rede van de mens niet tegenover zijn traditie of zijn sociale identiteit geplaatst moet worden. De rede kan worden opgevat als het vermogen tot reflectie en tot verantwoording tegenover anderen, zonder dat – in de lijn van Descartes – het redelijke ik zich radicaal losmaakt van zijn geschiedenis en zijn omgeving.
Auteur
Kars Veling [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Charles Taylor, Sources of the Self. The Making of the Modern Identity (Melbourne 1989)
Johannes Paulus II, Encycliek Fides et Ratio. Over de verhouding van geloof en rede (Oegstgeest 1999)
Kars Veling, Ruimte voor de rede. Filosofie als systematische reflectie (Kampen 2000)