Filosofische houding in de kennisleer tijdens de Middeleeuwen.
Het nominalisme en het aanverwante conceptualisme gaan ervan uit dat algemene begrippen een product van de menselijke geest zijn. Er bestaan bijvoorbeeld veel huizen en veel paarden en die lijken allemaal wel in meer of mindere mate op elkaar, maar een uniform begrip als het paard of het huis bestaat volgens het nominalisme enkel in het menselijke brein. Een dergelijke algemene term is niet meer dan een naam (nomen) of een etiket dat de mens op objecten van eenzelfde soort kleeft. Het gebruik van algemene begrippen is enkel een conventie die berust op de naamgeving (nominalisme) of op het idee van gelijksoortigheid (conceptualisme). Het realisme daarentegen beschouwt dat dergelijke algemene begrippen of universalia in de werkelijkheid buiten de menselijke geest wel bestaan. Volgens Plato bestaan deze algemene begrippen op zichzelf, terwijl Aristoteles leert dat de begrippen in de individuele dingen zitten.
Het nominalisme in de vroege en hoge Middeleeuwen, vertegenwoordigd door Abelard, nam stelling in de universaliënstrijd, de intellectuele twisten rond het statuut van de algemene begrippen. Als aan universalia geen enkele status wordt gegeven, zijn de begrippen ervoor niet representatief. Bijgevolg is elke menselijke kennis onmogelijk. De nominalisten wezen in de logica het bestaan van bovennatuurlijke zekerheden af. Wanneer men aan de andere kant, om de menselijke kennis te onderbouwen, teveel gewicht aan het statuut van de algemene begrippen hecht, doemen enkele problematische gevolgtrekkingen op.
Voor de nominalist Willem van Ockham kan kennis slechts berusten op openbaring, observatie en logische afleidingen of deducties. Willem past deze opvatting, gekend als het principe van voldoende reden, voortdurend toe als de basis van zijn kennisleer. De universalia zijn voor hem slechts namen (nomina) en geen zaken (res).
Het nominalisme moet steeds de brug slaan tussen de begrippen, die creaties van de menselijke geest zijn, en de natuurlijke realiteit, opdat de beoefening van de wetenschap mogelijk is.
Alle middeleeuwse denkers gaan uit van de aristotelische visie op de natuur. Voor hen bestaat er geen zijn buiten de concrete werkelijkheid. Deze stelling was zo belangrijk dat zij de onmiddellijke verwerping van de Ideeën of de structurerende gestalten van Plato inhield. De veertiende-eeuwse nominalisten stellen zeer rechtlijnig in hun logica en wetenschapsleer dat er geen bestaan mogelijk is buiten de concrete, natuurlijke realiteit.
Johannes Buridanus reikt in zijn kennisleer de volgende oplossing aan: naamwoorden, bedoeld om de algemene begrippen aan te duiden, zijn van alle tijd. Deze woorden dekken zowel in het verleden, het heden als de toekomst dezelfde betekenis en zijn bruikbaar voor wetenschappelijke uitspraken.
Auteur
Janick Appelmans [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
L.M. de Rijk, Middeleeuwse wijsbegeerte. Traditie en vernieuwing (Assen-Amsterdam 1977)
M. Schrama, ‘Het laatmiddeleeuws nominalisme in de geschiedschrijving’ in: Bijdragen. Tijdschrift voor filosofie en theologie, XL, 4, 1979, 403-423
J. Garcia, Introduction to the Problems of Individuation in the Early Middle Ages (München-Washington 1989 2e druk)
A.S. McGrade (red.), The Cambridge Companion to Medieval Philosophy (Cambridge 2003)