Duits filosoof (Röcken 15.10.1844 - Weimar 25.8.1900)
Als oudste zoon van een lutheraanse dominee studeerde Nietzsche een jaar theologie en filologie in Bonn en daarna klassieke filologie in Leipzig. Na zijn militaire dienst werd hij in 1869 (24 jaar jong, nog niet promoveerd) benoemd tot hoogleraar klassieke filologie aan de universiteit van Basel. Het christendom had hij inmiddels afgezworen, maar hij hield een grote belangstelling voor godsdienst in het algemeen en de Griekse in het bijzonder.
Zijn werk in de klassieke filologie (bijvoorbeeld De geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek, 1872) is vanaf het begin sterk getekend door wat hij als zijn voornaamste, filosofische taak zag: een kritische diagnose te geven van de zieke en zwakke cultuur van zijn tijd en een bijdrage te leveren aan haar revitalisatie. Daartoe wordt de eigentijdse cultuur, die getekend is door christendom, historicisme en democratie, gecontrasteerd met de vroege Griekse cultuur waarin polytheïsme, een scheppende omgang met waarheid en een geest van wedijver heersten. Deze cultuurkritiek overheerst in de vier Oneigentijdse Beschouwingen (1873-1876), waarvan de eerste handelt over de beroemde theoloog David Friedrich Strauss, die probeerde het christendom te redden door er een ontmythologiserende, historistische en naturalistische interpretatie van te geven.
In 1879 legde Nietzsche zijn functie aan de universiteit neer omdat zijn migraineaanvallen hem het werk onmogelijk maakten en omdat hij zich volledig wilde wijden aan zijn cultuurkritische opgave. Hij had toen geen vaste verblijfplaats meer, maar woonde afwisselend in Italië en Zwitserland, als een kluizenaar op kleine pensionkamertjes. Als zijn gezondheid het hem toestond wandelde hij 6 tot 8 uur per dag. De aantekeningen die hij tijdens de wandelingen maakte, werkte hij uit tot aforismen die hij publiceerde in zijn ‘wandelboeken’: Menselijk, al te menselijk (1878-1880), Morgenrood (1881) en De vrolijke wetenschap (1882). Daarin geeft hij scherpe analyses van het menselijk weten, handelen en geloven. Zijn kritiek van het christendom werd steeds scherper en omvattender: christendom en platonisme zijn leugens die de veranderlijke en veelvormige werkelijkheid van het leven geweld aandoen door de illusie van de ene, ware, eeuwige, goddelijke werkelijkheid. Ook ongelovigen zijn door hun morele opvattingen, door hun geloof in de waarheid, of door hun idealisme nog altijd door het christendom bepaald. Volgens Nietzsches beroemde tekst over de dood van God (‘de dwaze mens’ Vrolijke wetenschap §125) kunnen vooral ongelovigen niet begrijpen wat het betekent dat God dood is.
In augustus 1881 had Nietzsche een bijna mystieke ervaring, die hem de gedachte van de eeuwige terugkeer ingeeft: alles, tot in de kleinste details, is al oneindig vaak op dezelfde wijze gebeurd en zal nog eeuwig herhaald worden. Deze gedachte wordt uitgewerkt tot een leer van de totale affirmatie van het leven in al zijn aspecten: amor fati. Ze vormt de grondgedachte van Aldus sprak Zarathustra (1882-1884), door hem wel een vijfde evangelie genoemd. In de werken daarna wordt de kritiek van de eigentijdse christelijke moraal en cultuur nog scherper tot aan de ultieme uitbarsting ervan in De Antichrist, door Nietzsche ‘een vloek op het christendom’ genoemd. Hij signeerde het boek als ‘Dionysos tegenover de gekruisigde’. In januari 1889 werd Nietzsche waanzinnig, hij stierf elf jaar later.
Zijn werk is gebundeld tot Sämtliche Werke. Kritische Studienausgabe, 15 Bände (München/Berlijn 1980). Van vrijwel alle teksten zijn Nederlandse vertalingen beschikbaar.
Auteur
Paul van Tongeren [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. van Gelre, Friedrich Nietzsche en de bronnen van de westerse beschaving I (Baarn 1990)
Themanummer ‘Nietzsche en de joods-christelijke traditie’, Tijdschrift voor Filosofie LXI, 1 (1999) 3-137