Verzamelterm voor verschillende filosofische richtingen die bepaalde aspecten van de filosofie van Kant verder hebben ontwikkeld, in het bijzonder zijn kennistheorie en zijn ethiek.
De twee belangrijkste richtingen zijn neokantianisme (1870-1920) en kantiaans constructivisme (1970-heden). De vitalisering van het kantiaanse erfgoed door het neokantianisme, dat onderverdeeld kan worden in de Marburger Schule en de Badense (of Südwestdeutsche) Schule, hangt samen met de spectaculaire opkomst van de natuurwetenschappen in de negentiende eeuw. Het speculatieve idealisme van Schelling en Hegel, dat in de eerste helft van de negentiende eeuw dominant was, wist daarmee weinig aan te vangen, zodat men meende op antimetafysische tendensen (metafysica) in Kants filosofie terug te kunnen grijpen om de onmacht van de idealistische filosofie te boven te komen. Door dat echter het exacte denken van die tijd onder invloed stond van materialisme en determinisme, dreigde Kants begrip van autonomie, dat de basis vormde voor zijn ethiek, niet langer houdbaar te zijn. Het neokantianisme zag zich genoodzaakt de strijd aan te binden met idealisme enerzijds en materialisme en determinisme anderzijds. In navolging van Kant bracht het een kennistheoretisch onderscheid aan tussen wetenschap en ethiek, met als uitkomst dat wetenschap het weten betreft en ethiek het willen.
Hoewel de rol van het neokantianisme sinds de jaren dertig van de twintigste eeuw is uitgespeeld, heeft het onderscheid tussen het domein van het weten (wetenschap) en het domein van het willen (ethiek) een blijvende plaats gekregen in de filosofie. Dit is bijvoorbeeld het geval met de theorie van rechtvaardigheid van de Amerikaanse sociaalfilosoof John Rawls, die op kantiaans constructivisme gebaseerd is. Rawls doorbrak hiermee rond 1970 het stilzwijgen rond kantiaanse ethiek. Het belang hiervan is dat Rawls de ethiek haar normatieve relevantie teruggaf, vastgelopen als ze was in formele meta-ethiek enerzijds en non-moreel emotivisme anderzijds. Emotivisme is de theorie dat het uitspreken van een moreel oordeel niets anders is dan het uiten van een emotie (zie positivisme).
Met erkenning van de feitelijke dominantie van de markteconomie ontwierp Rawls een sociaalliberale theorie van rechtvaardigheid. Constitutief hiervoor is zowel Kants respect voor feiten als zijn begrip van autonomie. Autonomie houdt in dat mensen hun morele principes kiezen als rationele wezens die ten opzichte van elkaar vrij en gelijk zijn. Dat is Rawls’ interpretatie van Kants categorische imperatief. Hij noemt dat constructivisme, en wel omdat een publiek concept van rechtvaardigheid niet van bovenaf mag worden opgelegd, maar de uitkomst moet zijn van democratisch overleg tussen mensen die uitgerust zijn met twee morele krachten: een besef van rechtvaardigheid en een besef van goedheid. Op die manier meende Rawls bij morele gedragsbepaling het egoïsme rationeel te kunnen uitsluiten.
In hoeverre dat exclusief op basis van een rationeel mensbeeld mogelijk is, is voorwerp van blijvende discussie. Dat hangt samen met kritiek op Kants onderwaardering van emoties, op te vatten als antropologische condities van morele sensibiliteit. Men denkt daarbij aan de moraalfilosofieën van David Hume en Adam Smith. Verder is het noodzakelijk gebleken een functioneel onderscheid aan te brengen tussen private moraal en publieke moraal, dit met het oog op de morele pluriformiteit van moderne samenlevingen. Kantiaans constructivisme biedt daarvoor wel mogelijkheden, maar niet altijd via de categorische imperatief. Uit de aard der zaak heeft die meer betekenis voor de publieke moraal dan voor de private moraal, want anders dan publieke moraal hoeft private moraal niet algemeen geldig te zijn.
Auteur
G. Manenschijn [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
John Rawls, A Theory of Justice (Oxford 1972)
Jan Rohls, ‘Soziale Frage, Neukantianismus und Dezisionismus’, in: John Rawls, Geschichte der Ethik (Tübingen 1991) 382-407
John Rawls, ‘Kant’s Moral Constructivism’, in: John Rawls, Political Liberalism (New York 1993) 99-101
J.B. Schneewind, The Invention of Autonomy. A History of Modern Moral Philosophy (Cambridge 1998)
Gerrit Manenschijn, De mythe van de autonomie (Kampen 1999)
Otfried Höffe, Kants Kritik der reinen Vernunft. Die Grundlegung der modernen Philosophie (München 2003)