Oorspronkelijk de kunst van de vertolking van een tekst; de betekenis is echter uitgegroeid tot de aanduiding van een algemene wijsgerige richting. Het engere begrip heeft nog steeds de meer technische en methodische zin van uitleg van een tekst.
In de theologie spreekt men bijvoorbeeld over de hermeneutiek in of van het Oude Testament. In het eerste geval wordt bestudeerd hoe het proces van schifting en toe-eigening binnen de geschriften van het Oude Testament zelf zijn beslag heeft gekregen, in het tweede geval hoe de geschriften van het Oude Testament later uitgelegd en toegeëigend werden. In deze vorm is de hermeneutiek een onderdeel van de bijbelwetenschappen en de dogmatiek.
De hermeneutiek wil een antwoord geven op de fundamentele ervaring van de vreemdheid van een tekst. Er moeten sleutels worden gevonden om toegang te krijgen tot de betekenis ervan. Een bekend middel tot ontsluiting van de tekst is het door Origenes gemaakte onderscheid tussen de letterlijke en een geestelijke betekenis. De geestelijke betekenis kon weer onderverdeeld worden in een morele of een zinnebeeldige betekenis (allegorie).
De laatmiddeleeuwse theologie en de Reformatie keerden zich af van de allegorische uitleg en streefden naar een historisch-letterlijke uitleg. Dat sloot niet uit dat de theologische betekenis van een bijbeltekst kon uitgaan boven de letterlijke zin. Door middel van typologische uitleg kon een figuur uit het Oude Testament als beeld of type van Jezus Christus worden beschouwd. Rome en Reformatie gingen in hun hermeneutische opvatting een verschillende weg. De Reformatie stelde zich op het standpunt dat de bijbel geen buitenbijbelse autoriteit nodig heeft (sacra sriptura sui interpres), Rome legt de maatstaf van uitleg bij het kerkelijke leergezag.
In de twintigste eeuw is hermeneutiek uitgegroeid tot een wijsgerige richting die de taak tot vertolking niet wil beperken tot teksten of historische verschijnselen, maar de taak van begrijpen en interpreteren beschouwt als een fenomeen dat eigen is aan het menselijk bestaan als zodanig. Zeer belangrijk voor de veralgemenisering van hermeneutiek is de nadere thematisering van de taal. De taal staat de mens niet slechts ter beschikking als uitdrukkingsmiddel, de mens is als het ware in taal ondergedompeld. Daarmee is de gegevenheid van taal de voorwaarde voor het begrijpen.
In navolging van A. Schleiermacher en M. Heidegger was het vooral H.G. Gadamer die het begrijpen als algemeen menselijk fenomeen heeft ontvouwd en verdiept aan de hand van kunst, geschiedenis en filosofie. Al het menselijk kennen en ervaren van zin is een zaak van hermeneutiek. Daarmee is het begrip ver boven zijn vakwetenschappelijke betekenis uitgegroeid tot een (levens)filosofie. Tot de verworvenheden in het huidige hermeneutische debat behoort onder meer het inzicht dat de uitlegger of lezer zijn eigen veronderstellingen niet buiten beschouwing laat, maar ze bewust inbrengt. Gadamer spreekt in dit verband van een horizonversmelting tussen de horizon van tekst en van de uitlegger. Historische afstand ontpopt zich niet enkel als hindernis tot verstaan, maar blijkt ook een productieve factor die de zaak waar de tekst van spreekt, aan het licht brengt. In kritische reactie op Gadamer pleiten (postmoderne) hermeneutische filosofen als P. Ricoeur, J. Derrida, J.F. Lyotard voor een ideologiekritische bezinning op de situatie en veronderstellingen van de verstaander. Door een verscherpt inzicht in bijvoorbeeld linguïstiek, retoriek en gender kunnen de eigen vanzelfsprekendheden en de tegenstelling tussen het vertrouwde/eigene en het vreemde/andere aan het licht komen.
In het huidige debat ligt sterke nadruk op veelvuldigheid van zin die een tekst in nieuwe situaties en voor nieuwe personen kan krijgen.
Auteur
C.van der Kooi [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder Lezen
H.W. de Knijff, Sleutel en slot. Beknopte geschiedenis van de bijbelse hermeneutiek (Kampen 1980)
H.G. Gadamer, Wahrheit und Methode (Tubingen 1990 6e druk)
W.Stoker, H.M.Vroom, Verhulde waarheid. Over het begrijpen van religieuze teksten (Zoetermeer 2000)
R. van Woudenberg, Filosofie van taal en tekst (Budel 2002)