Denken dat uitgaat van de filosofie van Georg Hegel en/of de doorwerking ervan.
Kenmerkend zijn een absoluut idealisme, dialectische methode en verzoening van filosofie en godsdienst. Idealisme kwam als term in de tweede helft van de achttiende eeuw in omloop. Aanvankelijk ter typering van Plato’s opvatting dat de wereld van de eeuwige ideeën de ware werkelijkheid is, later als aanduiding van eigentijdse filosofieën die het denken als activiteit centraal stelden. Het ‘Duitse idealisme’ laat men gewoonlijk bij Kant (1724-1804) beginnen en bij Hegel eindigen, met Fichte (1762-1814) en Schelling (1775-1854) als tussenschakels. De nadere indeling is dan subjectief idealisme bij Kant en (vooral) Fichte, objectief idealisme bij Schelling en absoluut idealisme bij Hegel. ‘Subjectief ’ betreft de centrale plaats van het denkende subject; ‘objectief ’ een verschuiving naar de verbinding van denken (geest) en natuur (of breder: wereld); terwijl ‘absoluut’ op een hoogste eenheid doelt waarin de eenzijdigheden van het subjectieve en het objectieve standpunt tot opheffing zijn gebracht. Ofschoon deze indeling al te schematisch is en geen recht doet aan Schellings gecompliceerde ontwikkelingsgang die zich tot ver na Hegels dood uitstrekte, heeft ze als voordeel de aandacht te vestigen op de pretentie van afsluiting die met Hegels filosoferen gegeven is.
Hegel legde idealisme uit in de zin van de ‘idealiteit’ van het eindige: eindigheid wordt opgevat in de zin van fundamentele beperktheid. Eindige dingen kunnen niet op zichzelf bestaan en vinden alleen bestand binnen een groter geheel. De weg van integratie gaat via ‘opheffing’ en ‘bewaring’: opheffing (de vermaarde ‘Aufhebung’) van zelfs de schijn van zelfstandigheid, en bewaring als element (‘moment’) binnen het grote geheel. ‘Dialectiek’ is de technische term voor dit integratiegebeuren. De populaire typering van de dialectische methode met de drieslag ‘these-antithese-synthese’ is minder gelukkig, omdat Hegel zelf deze termen bij voorkeur vermeed. De bedoelde concretiseringsgang van het oneindige stemde volgens Hegel overeen met de christelijke leer van de drie-eenheid: de Vader die in de Zoon een bijzondere gestalte aanneemt, zo een moment van eindigheid in zich opneemt, om als Geest tot zichzelf terug te keren.
De verzoening van filosofie en christelijke religie die Hegel in zijn Berlijnse periode proclameerde komt hierop neer dat beide de inhoud gemeenschappelijk hebben en dat de verschillen beperkt zijn tot de vorm: enerzijds redelijke vormen, anderzijds voorstellingen. Naar hun inhoud zijn de geloofsvoorstellingen waar; de vorm van historische voorstellingen levert deze inhouden uit aan de historische kritiek. Daarom eindigt de verzoeningsleer met een oproep in de filosofie te vluchten. De theologie biedt volgens Hegel geen soelaas, omdat ze is bevangen in een verstandelijk denken. Hierachter ligt een voor het idealisme kenmerkend onderscheid tussen de analyserende, verzelfstandigende werking van het verstand, tegenover het synthetiserende vermogen van de rede (Vernunft).
Waardevol aan Hegels filosofie is de kritiek op alle vormen van verzelfstandiging. Deze opent de ogen voor verborgen overeenkomsten tussen standpunten die ver uiteen schijnen te liggen. Hegels filosofie is zo waardevoller dan het invloedrijke *links-hegelianisme dat de neiging heeft bepaalde thema’s te isoleren en vervolgens op te blazen. Hét voorbeeld is dat van de ‘strijd om erkenning’, ofwel de ‘dialectiek van meester-knecht’ (heer-slaaf ). Dit thema heeft bij Hegel een belangrijke, maar niettemin beperkte plaats, omdat het behoort tot het domein van de ‘subjectieve geest’ (psychologie, antropologie, enzovoorts). Door de links-hegelianen wordt het overgeheveld naar de domeinen van de ‘objectieve geest’ (recht, samenleving, staat).
Juist waar Hegels filosofie het meest imposant is, is zij echter het zwakst. Over heel de linie verkrijgt het speculatief-dialectische denken het laatste woord. Daarom vormde de redding die zij het christelijke geloof aanbood, ten diepste een nieuwe bedreiging. Het is niet alleen dat het speculatieve begrip van de drie-eenheid geen recht kan doen aan het christelijke belijden omtrent de Vader, Zoon en Geest als personen, ook de existentie van de gelovige wordt geen recht gedaan. Op dit punt vond het hegelianisme zijn meest hartstochtelijke en scherpste bestrijder in de Deense filosoof Søren Kierkegaard, de voorloper van het existentialisme.
Auteur
S. Griffioen [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]