Duits filosoof (Stuttgart 27.08.1770 - Berlijn 14.11. 1831)
Hegel ontving zijn opleiding aan de Tübinger Stift, waar hij vriendschap sloot met de dichter Friedrich Hölderlin en de filosoof Friedrich von Schelling, die zijn tegenspeler zou worden. In 1807 verscheen de Phänomenologie des Geistes, dat tot de belangrijkste werken van de westerse filosofie wordt gerekend. Het stelt echter hoge eisen aan de lezer doordat het de ‘verschijningsvormen van de geest’ op een wijze behandelt die systematiek en geschiedenis combineert. Vervolgens verschenen in rap tempo de delen van de Wissenschaft der Logik (1812, 1813, 1816). In 1817 volgde de Enzyklopädie der philosophischen Wissenschaften, bedoeld als dé toegang tot ‘het systeem’.
Pas in 1818 ontving Hegel een universitaire positie te Heidelberg. Drie jaar later volgde de benoeming in Berlijn. Uit deze laatste periode stamt de Grundlinien der Philosophie des Rechts (1821): nog altijd een bron voor rechtsfilosofie en sociale filosofie. In Berlijn steeg zijn reputatie tot Europees niveau. Tevens raakte zijn filosofie omstreden. Binnen de christelijke kerken stuitten de ‘redelijke’ uitleg van het evangelie en de daarop gebaseerde verzoening van begrijpen en geloven op verzet (zie hegelianisme). Anderzijds was voor de vooruitstrevende kringen dit denken te zeer op begrijpen en te weinig op veranderen gericht; het oefende hier grote invloed uit, maar in gekortwiekte vorm (zie links-hegelianen).
Auteur
S. Griffioen [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]