Aanduiding voor de geestelijke situatie na de Tweede Wereldoorlog.
De joodse denker Martin Buber heeft de term gesmeed. Met dat woord bood hij een alternatief voor de duiding die Nietzsche van de Europese cultuur had gegeven in zijn parabel van de ‘dwaze mens’. Nietzsche stelde dat *God als bindmiddel van de samenleving ‘dood’ was, en dat de mens zelf de ontstane leegte moest opvullen. Buber wilde met de term Godsverduistering uitdrukken, dat God zich verborgen houdt en zwijgt. Godsverduistering is niet een sleutel om de situatie van de cultuur te verklaren, maar duidt de nood van de tijd aan. De mens heeft in zijn culturele ontwikkeling het aangezicht van God verduisterd.
Dit laatste aspect heeft H. Berkhof naar voren gehaald: ‘Zoals de maan bij tijden zich tussen de zon en de aarde schuift, zo verduistert het dogma van de autonomie van de mondige mens (‘Verlichting’ geheten!) het licht van God’ (Trouw, 1 april 1988).
Auteur
G.C. den Hertog [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
M. Buber, Godsverduistering. Beschouwing over de betrekking tussen religie en filosofie (Utrecht 1954 1e druk)