Filosofische benadering en stroming.
Hoewel de term ‘fenomenologie’ ook al door diverse negentiende-eeuwse filosofen werd gebruikt, onder andere door Kant en Hegel, is de fenomenologie als stroming een twintigste-eeuws verschijnsel dat zijn oorsprong vindt in de Logische Untersuchungen (2 vols., 1900-1901) van Edmund Husserl (1859-1938). In dit werk onderzoekt Husserl de filosofische grondslagen van de logica. Het verzet zich tegen de theorie dat logica een geheel is van inductieve generalisaties van zintuiglijke waarnemingen (empirisme), en tegen de theorie dat logica denkwetten zijn van het menselijk bewustzijn (kantianisme). Logica is, volgens Husserl, een geheel van objectieve zijnswetten, die direct kunnen worden waargenomen. De waarneming in casu is geen zintuiglijke waarneming, maar eidetische waarneming (van het Griekse eidos, essentie). Anders dan de zintuiglijke waarneming, die zich richt op een concreet verschijnsel hier en nu (Dasein), is de eidetische waarneming gericht op wat een verschijnsel in wezen is (Sosein), los van toevallige, tijden plaatsgebonden variaties.
De ideeën uiteengezet in de Logische Untersuchungen trokken de aandacht van een aantal getalenteerde studenten en academici en in de loop van het volgende decennium ontstonden twee fenomenologische cirkels (Kreise), één in Göttingen, waar Husserl doceerde, en één in München. Tot de leden van deze cirkels behoorden onder andere Max Scheler, Adolf Reinach (1883- 1917), Alexander Pfänder (1870-1941), Dietrich von Hildebrand (1889-1977), Edith Stein, Hedwig Conrad-Martius (1888-1996) en Roman Ingarten (1893-1970). Daarnaast moet ook Nicolai Hartmann (1882-1950) worden genoemd; hoewel nooit behorend tot de inner circle, is hij toch diepgaand door de fenomenologie beïnvloed.
Later, nadat Husserl een leerstoel in Freiburg im Breisgau had aanvaard (1916), kwamen andere leerlingen naar voren, met name Martin Heidegger. En nog weer later vond de fenomenologie ook weerklank elders, in het werk van onder meer Sartre, Merleau-Ponty, Ricoeur, Levinas en Derrida. In de handen van al deze denkers werd de fenomenologie echter tot iets geheel anders dan ze oorspronkelijk was geweest.
Wat de leden van de cirkels in Göttingen en München aansprak in de Logische Untersuchungen, was niet zozeer het onderwerp – de fundering van de logica – als wel de implicaties van Husserls benadering van deze kwestie. Zij zagen de Logische Untersuchungen als een verwerping van het subjectivisme en nominalisme dat kenmerkend is voor (een groot deel van) de moderne filosofie, en als een terugkeer naar het ontologisch realisme van de filosofische traditie van de Oudheid en de Middeleeuwen. Op grond hiervan worden deze oorspronkelijk fenomenologen ook wel realistische fenomenologen genoemd. Toen Husserl in de jaren volgend op de publicatie van de Logische Untersuchungen steeds meer terugkeerde tot een vorm van kantianisme en ging beweren dat fenomenologie de analyse van de essentie van het (transcendentaal) bewustzijn is, zijn zijn leerlingen hem daarin dan ook niet gevolgd. Voor hen was en bleef fenomenologie zoals Husserl haar zelf ooit kernachtig had omschreven: Zu den Sachen selbst – wat wil zeggen: concentratie op het gekende object in plaats van het kennende subject.
Bovendien hadden de meeste van zijn leerlingen, anders dan Husserl zelf, vooral belangstelling voor de studia humanitatis: psychologie, geschiedenis, ethiek, politiek, recht, esthetica. Hun werken hebben dan ook voornamelijk betrekking op thema’s en vraagstukken op die terreinen. Zo is met name door Scheler, Hildebrand en Hartmann een fenomenologische ethiek ontwikkeld die uitgaat van de gedachte dat waarden niet subjectief zijn, maar objectieve, in de wereld aanwezige grootheden.
Auteur
A.A.M. Kinneging [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Theo de Boer, Van Brentano tot Levinas: studies over de fenomenologie (Meppel 1989)
Dermot Moran, Introduction to Phenomenology (London en New York 2000)
Richard Palmer, ‘Phenomenology’, Edmund Husserl’s article for the Encyclopaedia Britannica (1927): a new, complete translation,’ Journal of the British Society for Phenomenology 2 (1971), 77-90