Filosofische en culturele beweging uit het midden van de twintigste eeuw die met name in Duitsland en Frankrijk tot ontwikkeling kwam.
De aanvankelijke aanduiding ‘existentiefilosofie’ werd in 1929 gemunt door Fritz Heinemann. Naarmate de verschillende wetenschappen zich vanaf de negentiende eeuw losmaakten van de wijsbegeerte, richtte de filosofie zich niet meer alleen op het algemeen geldige, maar ook op het persoonlijke en subjectieve. In het existentialisme naderde de filosofie de literatuur. De negentiende-eeuwse auteurs Kierkegaard en Nietzsche, ontdekt in de twintigste eeuw, worden soms tot de voorlopers gerekend. Traditioneel wordt onderscheiden tussen essentie (wat iets is) en existentie (dat iets is). Het existentialisme echter reserveerde de term ‘existentie’ voor de menselijke bestaanswijze, die – anders dan het zijn van de dingen – principieel open en onbepaald is. Dan gaat existentie vooraf aan essentie: wij maken ons tot wat we telkens zijn.
Karl Jaspers (1883-1969) onderscheidde in zijn hoofdwerk Philosophie (1932) wereldoriëntering, bestaansverheldering (Existenzerhellung) en metafysica: de mens wordt gesitueerd tussen wereld en God. Existeren betekent: in vrijheid stelling nemen ten aanzien van mijn feitelijke historiciteit en het mijzelf aan anderen openbaren in de communicatie. Met name de grenssituaties – dood, lijden, strijd, schuld – bieden de mogelijkheid van eigenlijkheid. Als een mens werkelijk existeert, gaat hij de wereld en zichzelf te boven. Dat is de transcendentie waarover de metafysica handelt. In Der philosophische Glaube (1947) grensde Jaspers het wijsgerig, vragend geloof in God af van het religieuze openbaringsgeloof.
Gabriel Marcel (1889-1973) meende dat ieder systeem ten koste van de waarheid ging en uitte zich daarom behalve in vele toneelstukken over de spanning tussen eenzaamheid en gemeenschap vooral in dagboekvorm en korte artikelen. Tot zijn hoofdwerken behoren Journal métaphysique (1927), Etre et avoir (1935) en Le mystère de l’être (1951). De wetenschap lost problemen op, maar in de filosofie gaat het om het mysterie. Een afdoend antwoord kan nooit geformuleerd worden, maar al denkend kan ik mijn concrete bestaan wel nader belichten. Marcel vraagt voortdurend naar de menselijke persoonlijkheid, die wezenlijk openheid is, een in-dewereld-zijn, waar ik door mijn lichamelijkheid deel aan heb. Trouw is een houding die toekomst schept. Pas in de ik-jij-relatie, waarin een jij zich tegenwoordig stelt en aan mij openbaart, komt werkelijke zelfkennis tot stand. Het volstrekte jij is God. Marcel trad in 1929 toe tot de katholieke kerk. Hij bekritiseerde het ‘dogmatisch negativisme’ van ander existentiefilosofen.
Martin Heidegger wilde geen existentiefilosoof genoemd worden, omdat het hem uiteindelijk ging om ontologie, het verstaan van het Zijn, maar omdat hij daarbij de weg koos van een analyse van het menselijke erzijn (Dasein) en de structuren daarvan, de ‘existentialia’, wordt hij vaak toch tot het existentialisme gerekend.
Jean-Paul Sartre verwierf grote bekendheid met een roman als La nausée (1938) en toneelstukken als Les mouches (1943) en Huis clos (1945). Uitgangspunt van zijn eerste filosofische hoofdwerk L’Etre et le Néant (1943), een zeer uitvoerig ‘essay over fenomenologische ontologie’, en het toegankelijke L’existentialisme est un humanisme (1946) is het onderscheid tussen op-zich-zijn (être-en-soi) en voor-zich-zijn (être-poursoi).
Andere bekende existentialisten zijn Simone de Beauvoir, die in het feministische Le deuxième sexe (1949) betoogde dat iemand niet als vrouw wordt geboren, maar tot vrouw wordt gemaakt; Albert Camus (1913-1960), die in romans als L’étranger (1942) en La peste (1947) en in essayistische werken als Le mythe de Sisyphe (1942) en L’homme révolté (1951) naar zin zocht in een absurde wereld; en Maurice Merleau-Ponty (1908-1961), die in Phénoménologie de la perception (1945) de waarneming vanuit de lichamelijkheid beschreef.
Na de Tweede Wereldoorlog verbreedde het existentialisme zich met name in Parijs tot een brede culturele beweging, die zich ook in diverse kunstvormen (film, chanson) en in een levensstijl (zwarte kleding, rokerige keldercafés) uitte. Enerzijds lag daarbij de nadruk op de menselijke vrijheid: de mens ontwerpt steeds zijn eigen leven en neemt zijn verantwoordelijkheid. Anderzijds kwamen de meer duistere kanten van het leven naar voren: melancholie, angst, crisis, catastrofe, dreiging en dood. Het verbindende element lag in het zoeken naar authenticiteit. Die dubbele levensbeschouwing van het existentialisme vond veel weerklank in de Europese theologie.
In Frankrijk verstonden vertegenwoordigers van de Nouvelle Théologie zich met het existentialisme, terwijl in Nederland vooraanstaande hervormde theologen als G.C. van Niftrik en F.O. van Gennep en rooms-katholieke denkers als B. Delfgaauw en C.E.M. Struyker Boudier zich over dit denken bogen. Zelfs gereformeerden ontkwamen niet aan het existentialisme, dat in deze kring evenwel fel bestreden werd, in het bijzonder door de filosoof S.U. Zuidema.
Auteur
Jan Dirk Snel [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Bernard Delfgaauw, Wat is existentialisme? Kierkegaard, Marcel, Jaspers, Heidegger, Sartre (Baarn 1979 10e druk)
David E. Cooper, Existentialism. A Reconstruction (Oxford 1999 2e druk)