Verzameling filosofische of religieuze beschouwingen over de oorsprong en vooruitgang van de wereld.
Het vooruitgangsgeloof staat hierbij centraal en duidt op een waardering van kosmische verandering als verbetering. De evolutieleer kan worden gezien als een toepassing van de evolutietheorie buiten zijn biologische grenzen. De evolutieleer verwijst ook naar ervaringskennis van natuur en geschiedenis, bijvoorbeeld naar de volgorde van fossielen. Omgekeerd kunnen onderdelen van de leer voorkomen in de theorie. Er is geen evolutietheorie mogelijk zonder verwijzing naar een doel. Ook is het moeilijk te bepalen of een evolutietheorie uit de leer wordt afgeleid of dat de leer invloed heeft op de interpretatie van een al bestaande theorie. Deze wisselwerkingen tussen leer en theorie maken het onmogelijk ze scherp te scheiden.
Leer en theorie kunnen wel worden onderscheiden door te letten op verschillen in doelstelling, bevestiging,
gebruik en onderlinge invloeden. De bedoeling van een leer is zin te geven aan het bestaan, terwijl de theorie bedoeld is als een causale verklaring van het ontstaan van de wereld. Een leer wordt dus bevestigd naarmate het zin geeft, terwijl het vertrouwen in een theorie groeit naarmate meer zichtbare en meetbare verschijnselen worden voorspeld, verklaard en ingepast in bestaande kennis. Het gebruik van de leer is meer dogmatisch dan dat van de theorie. Het is gemakkelijker de theorie te veranderen dan de leer, omdat filosofische of religieuze belangen er minder direct of niet bij betrokken zijn. Ten slotte kan invloed van de leer op de theorie blijken uit de overeenkomst tussen de leer en het wetenschappelijk denken van de persoon in kwestie, de persoonlijke opvattingen, en de richting waarin de theorie geëxtrapoleerd wordt.
Een voorbeeld dat een evolutieleer een evolutietheorie kan beïnvloeden is te zien bij de Engelse bioloog Ray Lankester (1847-1929). Toen Lankester zijn christelijk geloof verloor, zocht hij niet alleen bewust de zin van het bestaan in een vooruitgangsgeloof maar gebruikte dit geloof als reden om planten en dieren te rangschikken van eenvoudig naar ingewikkeld. De rol van religieus geloof wordt nog duidelijker wanneer we Lankester vergelijken met de Amerikaanse botanicus Asa Gray (1810-1888). Hij verwierp de evolutieleer, maar aanvaardde de evolutietheorie van Darwin omdat het de verbreiding van planten over de wereld kon verklaren. Als presbyteriaan geloofde hij dat God het evolutieproces stuurde via gerichte variatie. Daarom verwierp hij de ongerichtheid van Darwins variatie. Maar goddelijke voorzienigheid verleidde hem niet de botanische feiten te interpreteren in het licht van een vooruitgangsgeloof. Gray zag geen vooruitgang in de plantenwereld; op zijn best was er vooruitgang in de dierenwereld, zolang de details buiten beschouwing bleven.
De invloed van de leer op de theorie blijkt op de drie bovengenoemde verschilpunten. Natuurlijke vooruitgang karakteriseerde het denken van Lankester over natuur en cultuur, maar goddelijke voorzienigheid dat van Gray. Op persoonlijk niveau ontleende Lankester de zin van het bestaan aan zijn geloof in natuurlijke vooruitgang, maar Gray aan goddelijke voorzieningheid. Ten slotte interpreteerde Lankester de feiten in het licht van zijn vooruitgangsgeloof maar Gray liet ze voor zichzelf spreken. Anderzijds kan een evolutietheorie dogmatisch worden geïnterpreteerd als evolutieleer. De theorie krijgt dan een filosofische of religieuze functie, wordt beoordeeld op grond van zingevend vermogen in plaats van probleemoplossend vermogen en wordt gehandhaafd, zelfs als er tegenbewijs is (verabsoluteerd). Als gevolg hiervan worden andere kennisgebieden gereduceerd tot de evolutietheorie.
Wanneer een evolutietheorie een filosofische of religieuze functie ontwikkelt, kan dit aan de hand van een
aantal kenmerken worden vastgesteld. Dobzhansky (1900-1975) ontwikkelde zijn versie van de synthetische
evolutietheorie zodanig dat deze kon worden geïnterpreteerd als een christelijk vooruitgangsgeloof. Dit
blijkt bijvoorbeeld uit zijn religieuze interpretatie van de biologische begrippen mutatie en selectie als natuurlijk kwaad, een neveneffect van Gods beslissing een wereld te scheppen via evolutie. Ook komt zijn christelijk
vooruitgangsgeloof overeen met zijn idee van geestelijke en materiële vooruitgang door kosmische evolutie; met zijn persoonlijk Russisch-orthodox geloof, met name de rol van het lijden in geestelijke vooruitgang en de eenwording van het geschapene met God; en met de extrapolatie van de theorie in de richting van zijn christelijk vooruitgangsgeloof. Daaruit blijkt dat de reden voor zijn interpretatie van de evolutietheorie ligt in zijn christelijk vooruitgangsgeloof.
Abraham Kuyper en Jan Lever verwierpen evolutie als religie maar aanvaardden het als theorie, zolang deze
kon worden geïnterpreteerd als doelgerichte goddelijke voorzienigheid. Deze benadering vereist een indirect
verband tussen evolutieleer en evolutietheorie. Een direct verband zou betekenen dat elke religie zijn eigen
wetenschap heeft. Beide opvattingen worden gevonden onder Nederlandse christenen en kunnen zich beroepen op Kuyper. Volgens Kuyper is er een hiërarchie van wetenschappelijke kennis. Bovenaan staat de wereldbeschouwing (evolutieleer), dan volgt de theorie (natuurlijke selectie, darwinistische evolutie, neodarwinistische evolutie, synthetische theorie). Onderaan volgen de waarnemingen. Of elke religie zijn eigen wetenschap heeft, hing volgens Kuyper af van het gebied van onderzoek en van de rijkwijdte van subjectieve vooronderstellingen. Daarom kunnen leerverschillen zich soms beperken tot het hoogste niveau, zodat op de lagere niveaus aanhangers van verschillende religies kunnen samenwerken aan dezelfde theorieën. Maar op een ander onderzoeksgebied of met andere vooronderstellingen kunnen leerverschillen doordringen tot de laagste niveaus.
Dit betekende dat elke religie zijn eigen theorieën heeft, zodat aanhangers van deze religies niet kunnen samenwerken. Dit laatste kan niet juist zijn, omdat christenen ook geloven dat God maar één werkelijkheid heeft geschapen en sporen heeft achtergelaten, zodat niemand het bestaan van God kan ontkennen. Daarom zouden mensen in principe tot dezelfde verklaring van deze werkelijkheid moeten kunnen komen, ongeacht hun religie. Deze conclusie moet echter als ideaal worden gezien, want er zijn allerlei redenen waarom dit in de praktijk niet mogelijk is. In de natuurwetenschappen is dit ideaal duidelijk meer haalbaar dan in de menswetenschappen. Voorzover dit ideaal niet wordt verwezenlijkt, is er geen duidelijk onderscheid tussen evolutieleer en evolutietheorie en functioneren evolutionisme en creationisme beide als wereldbeschouwing.
Het onderscheid tussen leer en theorie lijkt niet bij te dragen aan een christelijk perspectief op evolutie.
Als een evolutieleer het bestaan en de voorzienigheid van God ontkent, moet het worden opgevat als een soort naturalisme dat in strijd is met geloof in God de schepper. Maar er is ook ernstige niet-religieuze kritiek op het naturalisme wanneer het gecombineerd wordt met de theorie dat de rede een evolutieproduct is. Volgens Plantinga is deze combinatie onwaar of irrationeel (zie darwinisme).
Auteur
Jitse M. van der Meer [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
A. Kuyper, Encyclopaedie der heilige godgeleerdheid, II (Amsterdam 1894)
A. Kuyper, Het Calvinisme (Amsterdam/Pretoria 1898)
R. van Woudenberg, Gelovend denken (Kampen 1992)
D. Ratzsch, ‘Abraham Kuyper’s philosophy of science’, in: J.M. van der Meer (ed.), Facets of faith and science (Lanham 1996)
M. Ruse, Monad to man (Cambridge 1996)
S.C. Meyer, ‘The demarcation of science and religion’, in: G.B. Ferngren e.a. (ed.), The history
of science and religion in the western tradition: an encyclopedia (New York/London 2000)
J. M. van der Meer, ‘The Engagement of Religion and Biology: A Case Study in the Mediating Role
of Metaphor in the Sociobiology of Lumsden and Wilson’, in: Biology and Philosophy 15, (2000),
669-698