Bezinning op het morele handelen, bekeken onder het aspect van goed en kwaad; van het Latijnse ethos of èthos: zede, gewoonte.
Ook andere manieren van normatieve bezinning op het menselijk handelen zijn mogelijk. Zo kunnen we technisch handelen bekijken onder het aspect van goed en fout, en economisch handelen onder het aspect van efficiënt en niet-efficiënt. Gaat het over begrippen als mooi en lelijk, dan bevinden we ons allereerst op het gebied van de kunst. En denken we na over juridisch handelen, dan leggen we met name de norm aan van wettig en onwettig. In elk geval gaat het in ethiek om een normatieve bezinning, waarin we ons afvragen of moreel handelen wel zo is als het behoort te zijn. Ethische bezinning veronderstelt dat mensen keuzes maken en verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor die keuzes.
Over de mate van vrijheid is verschil van inzicht. Hoe groot is de vrije speelruimte voor ons morele handelen? De opvattingen lopen van een strikt determinisme (alles ligt van tevoren al vast, dus van vrijheid is feitelijk geen sprake) tot een strikt indeterminisme (niets ligt vast en wij kunnen in onze keuzes nog alle kanten uit). Beide uitersten zijn irreëel. Zonder vrijheid is er geen ethiek mogelijk. Maar oeverloze vrijheid bestaat evenmin. Moraal bindt ons immers aan anderen, we zijn kind van onze tijd en onze groep, ons inzicht en overzicht zijn beperkt, enzovoorts. We weten uit de geschiedenis hoe moeilijk het is zich van heersende opvattingen los te maken en alleen te staan.
Ethiek bezint zich verder op de drijfveren van ons handelen. Wat beweegt ons zus of zo te handelen? Komt het voort uit egoïsme of uit onbaatzuchtigheid? Handelen we uit vrees voor straf (legalisme) of uit een zuivere gezindheid (gezindheidsethiek)? Of hebben beide recht van bestaan? Als ethiek bezinning is onder het aspect van goed en kwaad, rijst uiteraard de vraag wat binnen de ethiek goed of kwaad genoemd mag worden. Een bekende tegenstelling is die tussen utilisme (van het Latijnse utilis: nuttig, voordelig) en deontologie (van het Griekse deon: dat wat behoort te gebeuren). In het utilisme laat men goed en kwaad bepalen door de resultaten die uit ons morele handelen voortvloeien. Levert mijn handelen nut op voor zoveel mogelijk mensen, dan is het goed; zo niet, dan is het verkeerd. Nut en schade worden in het utilisme tegen elkaar afgewogen.
Heel anders redeneert men in een deontologisch bepaalde ethiek. Niet het resultaat is beslissend, maar de houding van de mens. Goed is alleen wat de mens van harte doet, uit gehoorzaamheid aan het gebod, onafhankelijk van wat deze gehoorzaamheid onszelf of anderen oplevert. Hoe moeilijk het is om zonder meer voor het ene of andere systeem te kiezen, blijkt uit een paar eenvoudige voorbeelden. Het gebod verbiedt mij te liegen; maar als ik nu door een leugen het leven van mijn naaste kan redden, moet ik dan toch deontologisch (‘gebod is gebod’) handelen? Of mag ik met een zogenaamde noodleugen het leven van mijn naaste proberen te redden? Een utilistisch voorbeeld: stel dat iemand van ons zou eisen één onschuldig persoon dood te schieten, omdat hij anders zelf tien onschuldige mensen zal doden. Moeten wij dan, utilistisch redenerend, die ene persoon doden om te voorkomen dat er tien andere mensen gedood worden? Voor dergelijke vragen komt ook de christelijke ethiek te staan.
Christelijke ethiek bezint zich op het morele handelen vanuit het perspectief dat ons in de heilige Schrift geboden wordt. We kunnen daarbij onze aandacht op allerlei facetten concentreren, zoals op de tien geboden, de bergrede, de navolging van Christus, het dubbelgebod van de liefde voor God en de naaste. Het spreken over ‘bijbelse’ ethiek kan het misverstand oproepen alsof allerlei morele gedragingen en instellingen uit de bijbelse tijd, zoals polygamie, slavernij en bloedwraak, in onze ethiek nog een plaats kunnen krijgen. Bijbelteksten moeten we niet op een atomistische manier gebruiken (biblicisme). Zij vragen om een lezing die rekening houdt met vervulling van het Oude Testament door het werk van Jezus Christus, maar ook met de ontwikkeling van de wereldgeschiedenis. We kunnen niet meer terug naar slavernij, kolonialisme, apartheid en andere zaken die ontsporingen zijn gebleken.
Vaak wordt christelijke ethiek afgewezen omdat ze de nadelen van een deontologische ethiek zou bezitten. Gehoorzaamheid zou hier tot kadavergehoorzaamheid kunnen leiden, omdat van de mens geëist wordt dat hij God in alles gehoorzaam moet zijn. De opdracht van God aan Abraham zijn enige zoon Isaak op te offeren (Gen. 22) wordt vaak als afschrikwekkend voorbeeld aangehaald. Ook zonder op deze geschiedenis dieper in te gaan (het kinderoffer wordt uiteindelijk door Abraham niet gebracht en is in het Oude Testament uitdrukkelijk verboden), kunnen we duidelijk maken dat christelijke ethiek wat anders is dan gehoorzaamheid aan absolute en (soms) onmenselijke geboden.
Wel is er een principieel verschil tussen alle ethiek die van de autonomie van de mens uitgaat, en de christelijke ethiek, die gelooft dat God en niet wijzelf bepalen wat heilzaam voor ons en voor ieders leven is. Maar deze ‘heteronomie’ (een ander, in dit geval God, stelt ons de wet) berust op een geloofsovertuiging: het gebod van God (deontologisch element) en het nut van dat gebod voor de mens (utilistisch element) horen bijeen. De gehoorzaamheid aan de tien geboden vindt haar vervulling in de liefde tegenover God en de naaste; liefde doet de naaste geen kwaad (Rom. 13: 10). Christelijke ethiek heeft de plicht de liefde centraal te stellen, met eerbied voor God en met behandeling van de mens als persoon. De medemens mag nimmer tot een ding of onbeduidende factor worden, in welke toestand hij sociaal, psychisch of fysisch ook verkeert.
In een uitgebouwde ethiek behoort naast het gebod ook aandacht aan de deugd en deugden besteed te worden. We kunnen in de ethiek niet blijven staan bij wat de mens behoort te doen, maar moeten ook aandacht geven aan wie de mens behoort te zíjn. Het gaat niet alleen om de goede daad, maar ook om de vaardigheid goed te handelen. Ethisch handelen heeft met continuïteit in het handelen te maken. Continuïteit beleven we binnen de gemeenschap(pen) waarin we verkeren. Niemand begint bij het nulpunt; ieders levensverhaal ontspringt aan het volk, de kerk, de groep waarvan hij deel uitmaakt. Het personele element ligt in het sociale ingebed. Modern gezegd: moraal is er niet zonder het verhaal van een gemeenschap. Zo zijn ook de tien geboden niet goed te lezen als zij losgepeld worden uit het verhaal van Gods bevrijding van het volk Israël uit de Egyptische slavernij, of van de gemeente van Jezus Christus uit de slavernij van de zonde. Het verhaal van deze bevrijding werpt licht op de wet, die wet van de vrijheid kan worden genoemd (Jac. 1: 25). Dat voorkomt een visie op de wet van God als hard en rigoureus. Het gebod staat niet los van het verhaal, het verhaal evenmin van het gebod.
Auteur
J. Douma [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H.M. Dupuis, Goed te leven. Reflecties op de moraal (Baarn 1980)
J. Douma, Grondslagen christelijke ethiek (Kampen 1999)
G.C. de Kruijf, Christelijke ethiek (Delft 1999)