Rechtsfilosoof, grondlegger van de reformatorische wijsbegeerte (Amsterdam 7.10.1894 - Amsterdam 12.2.1977)
Opgeleid als jurist aan de Vrije Universiteit en daar in 1917 gepromoveerd op De ministerraad in het Nederlandsche staatsrecht. In 1922 werd Dooyeweerd benoemd tot directeur van de juist opgerichte Dr. Abraham Kuyperstichting, het wetenschappelijk instituut van de Antirevolutionaire partij (ARP). In 1926 volgde de benoeming tot hoogleraar rechtsfilosofie. Samen met zijn zwager D.H.Th. Vollenhoven, eveneens in 1926 benoemd tot hoogleraar aan de Vrije Universiteit, werkte Dooyeweerd aan de ontwikkeling van een wijsbegeerte in gereformeerde geest.
In 1935-1936 verscheen Dooyeweerds driedelige hoofdwerk, de Wijsbegeerte der Wetsidee. Dit werk is te beschouwen als een vroege en grondige kritiek op het modernisme in de wijsbegeerte. Tegenover de ‘immanentiefilosofie’ die haar religieuze uitgangspunt verborgen houdt, plaatste Dooyeweerd zijn eigen ‘transcendentale wijsbegeerte’ die zich richt op de (religieuze) mogelijkheidsvoorwaarden van het denken. Dooyeweerds wijsbegeerte behandelt de ontologie, de kentheorie en de sociale filosofie. Dooyeweerd is er niet in geslaagd een wijsgerige antropologie te schrijven.
In 1953 heeft Dooyeweerd de Wijsbegeerte der Wetsidee opnieuw bewerkt voor een Engelse editie met de tegen de Kantiaanse filosofie gerichte titel A New Critique of Theoretical Thought (1953-1958). Vanaf deze jaren begon ook Dooyeweerds internationale invloed toe te nemen. Hij ondernam reizen naar de Verenigde Staten en sprak op vele podia, in en buiten Nederland.
Auteur
R. Kuiper [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Marcel E. Verburg, Herman Dooyeweerd. Leven en werken van een christen-wijsgeer (Baarn, 1989)
H.G. Geertsema e.a., Herman Dooyeweerd 1894-1977. Breedte en actualiteit van zijn filosofie (Kampen 1994)
Zie ook
Herman Dooyeweerd (2009)