Belangrijke stroming ten tijde van de Verlichting. De benaming ‘deïsten’ komt voor het eerst voor in Frankrijk rond het midden van de zestiende eeuw.
Het deïsme is een stroming die godsdienst en moraal fundeert op de natuurlijke orde van de dingen. Als een van de grondleggers van het deïsme geldt Herbert van Cherbury (1583-1648), die stelde dat de natuurlijke godsdienst berustte op (ingeschapen) ‘gemeenschappelijke ideeën’: de mens is aan God, het hoogste wezen, verering schuldig in de vorm van een deugdzaam en godvruchtig leven; waar hij tekort schiet dient hij berouw te hebben over zijn zonden; na dit leven wacht een rechtvaardig oordeel, met loon en straf. Deze natuurlijke religie is de norm en kritiek van alle positieve religie. Latere deïsten als de Duitser Hermann Samuel Reimarus en de Fransman François Marie Voltaire bestrijden het christelijk geloof openlijk en fel.
Binnen het deïsme wordt de wereld wel vergeleken met een prachtig uurwerk, dat los van de schepper in stand blijft. Het beeld stamt van Isaäc Newton, maar is niet kenmerkend voor het deisme als geheel.
Auteur
G.C. den Hertog [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
P. Hazard, De crisis in het Europese denken. Europa op de drempel van de Verlichting 1680-1715 (Amsterdam 1990), 233-244
Chr. Gestrich, ‘Deismus’, Theologische Realenzyklopedie VIII, 392-406