Zeventiende-eeuwse filosofische en wetenschappelijke stroming, die teruggaat op de denkbeelden van René Descartes (Latijn: Cartesius).
In de tweede helft van de zeventiende eeuw domineerde het cartesianisme de wetenschappelijke discussie, totdat de doorwerking van de natuurkunde van Newton en de experimentele wetenschap aan het begin van de achttiende eeuw de invloed deed verminderen. Het cartesianisme maakte deel uit van het proces van de zogenaamde ‘mechanisering van het wereldbeeld’, die een einde maakte aan de oude, aristoteliaanse visie, waarin een teleologische (doelgerichte) visie op de werkelijkheid centraal stond. Hoewel men zich aanvankelijk op de natuurwetenschappelijke aspecten centraal richtte, werken de filosofische, metafysische implicaties tot op heden door.
Het cartesianisme gaat uit van de grondgedachte dat alle menselijke kennis één systematisch, hiërarchisch geordend bouwwerk vormt. Laverend tussen een traditioneel dogmatisme of autoriteitsgeloof en een scepticisme, dat gevoed werd door de recente godsdienststrijd, zocht het een fundament voor zekere kennis. We kunnen bedrogen worden door de zintuigen, dromen of een kwade demon en aan alles twijfelen, maar we kunnen niet betwijfelen dat we iets gewaarworden. Dat is het beroemde cogito-argument: cogito, ergo sum, ‘ik denk, dus ik besta’. Het gaat daarbij om methodische, niet om werkelijke twijfel. De voorwaarde voor objectieve kennis wordt aldus gefundeerd in de subjectiviteit van het ik. God, wiens denkbare volkomenheid zijn bestaan noodzakelijk insluit - wat echt bestaat, is immers perfecter dan wat alleen gedacht wordt - en die de eerste oorzaak van alle dingen is, staat er vervolgens garant voor dat de menselijke rede niet bedrogen wordt inzake de waarheid van wat zich als clarus et distinctus, helder en onderscheiden, aandient.
Kenmerkend voor de cartesiaanse werkelijkheidsopvatting is het onderscheid tussen twee substanties. De geest is res cogitans, een ‘denkend ding’; het lichaam is res extensa, een ‘uitgebreidding’ of uitgebreidheid. Lichaam en geest kunnen afzonderlijk van elkaar bestaan, maar Descartes ging in de praktijk wel uit van de feitelijke verbondenheid. De geest valt beter te kennen dan de materiële wereld. ‘Denken’ moet breed worden opgevat en sluit eigenlijk alle werkzaamheden van de geest in. De geest is onlichamelijk, ondeelbaar en niet-ruimtelijk. Bij latere cartesianen leidde de vraag hoe de geest bijvoorbeeld kon willen dat het lichaam zich verplaatste, tot occasionalisme: er was geen rechtstreekse oorzakelijkheid, God moest elke keer de overeenkomst tussen geest en lichaam veroorzaken.
Terwijl in het aristoteliaanse wereldbeeld de fysieke wereld uit een samenstel van vorm en materie bestond, ging het cartesianisme uit van uitgebreidheid en beweging. Er bestond alleen uitgebreidheid: dat wat lengte, breedte en hoogte heeft. Daar komt dan door God veroorzaakte beweging bij, die in principe de neiging heeft om constant en in rechte lijn te blijven. Voor allerlei krachten en doeloorzaken is in dit systeem geen plaats.
Behalve in zijn geboorteland Frankrijk vond Descartes’ filosofie al snel verbreiding in Nederland. Aan de Utrechtse universiteit was Henricus Regius (1598-1676) een vroege aanhanger, aan die van Leiden Adriaan Heereboord (1614-1661). Aan beide instellingen kwam ook weerstand. Vooral de Utrechtse theoloog Gijsbertus Voetius en zijn volgelingen, de voetianen, verzetten zich fel. Hoewel Descartes een vroom katholiek was en God in zijn systeem een centrale rol innam, was het bezwaar dat hij een te grote rol toekende aan de filosofische rede. Werd die geen onafhankelijke kenbron die het gezag van de openbaring en de Heilige Schrift aantastte? De theologie dreigde zo ondergeschikt te worden aan de filosofie. Bovendien werd de God van Descartes te abstract bevonden. En ook al beoogde de cartesiaanse twijfel juist zekerheid te verschaffen, toch achtte men deze ook als methode onaanvaardbaar.
In de loop van de zeventiende eeuw zag men inderdaad cartesianen die de filosofie tot uitlegster van de Heilige Schrift maakten. Onder de coccejanen vond men gaandeweg wel steeds meer theologen die elementen uit het cartesianisme aannamen. Rond 1700, kort voor de neergang, was het cartesianisme in brede calvinistische en christelijke kring aanvaard.
Auteur
Jan Dirk Snel [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
A. Robiket, Descartes. La lumière naturelle (Parijs 1999)
G. Rodis-Lewis, Descartes. Biografie (Kampen 2003)