Romeins senator en filosoof (Rome ca. 475/477 - Pavia eind 524)
Na een ambtelijke loopbaan, bekroond met het consulaat in 510, was Boethius vanaf 522 de hoogste ambtenaar van de Ostrogotische koning Theodorik de Grote. Boethius werd het slachtoffer van de achterdochtige ariaanse vorst en diens groeiend wantrouwen tegenover de orthodoxe Romeinse senatorenfamilies. In 523 beschuldigd van hoogverraad werd hij gevangengezet en terechtgesteld. Meer nog dan zijn tijdgenoten wist Boethius de antieke literatuur voor de Middeleeuwen te bewaren. In zijn theologische traktaten, filosofische commentaren, wetenschappelijke werken en vertalingen van Aristoteles’ Logica convergeren de Romeinse filosofie, de Griekse christelijke literatuur, de Latijnse kerkvaders en vooral het Griekse neoplatonisme. In gevangenschap schreef Boethius de Philosophiae Consolatio of Vertroosting van de filosofie, waarin een allegorische vrouwenfiguur, de filosofie, hem afwisselend in proza en dichtvorm troost.
Auteur
Janick Appelmans [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. Chadwick, Boethius (Oxford 1983)
J. Marenbon, Boethius (Oxford 2003)