Afgeleid uit het Griekse theos (= God), staat dit begrip voor een ontkenning van het bestaan van God.
In de Oudheid betekende de beschuldiging van atheïsme veelal dat de aangeklaagde de traditionele opvatting over de goden niet aanvaardde. In de vroegmoderne tijd waren aanzetten tot atheïsme, onder meer bij Thomas Hobbes en Spinoza. Maar zij gingen niet zover het bestaan van God te ontkennen.
Het atheïsme in de betekenis van godloochening werd voor de Verlichting zelden openlijk beleden. Eerst in het Frankrijk van de achttiende eeuw kreeg het openlijk aanhang. Holbach beleed consequent het atheïsme; alles buiten de waargenomen natuur beschouwde hij als fantasie. Hij bestreed het godsbegrip als angstaanjagend en immoreel. Hoeveel weerklank zijn werk ook had, Holbach was een uitzondering in zijn tijd: andere verlichte denkers als Voltaire geloofden wel in God, maar meenden dat Hij zich afzijdig hield van de door Hem geschapen wereld.
Pas in de negentiende eeuw nam het atheïsme een hoge vlucht. Eerst was daar J.G. Fichte (1762-1814) die de zogenaamde Atheismusstreit ontketende: Fichte zocht God in de wereldorde zelf en achtte het bestaan van een God buiten de mens problematisch. Kan Fichte nog geen atheïst worden genoemd, de daarop volgende filosofische groepering van de Links-Hegelianen kan dat wel. Tot die groep behoorden uiteenlopende figuren als Bruno Bauer, Ludwig Feuerbach en Karl Marx. Waar Bauer de evangeliën iedere werkelijkheid ontzegde en tot mythe verklaarde, ontwierp Feuerbach een alomvattend atheïsme, dat nog altijd maatgevend is. Feuerbach beschouwde theologie als antropologie en God zou een projectie zijn van de mens zoals hij zijn wilde: goed, onsterfelijk en onfeilbaar. De mens bidt en spreekt tot God alsof alles van Hem afhing, maar handelt alsof alles van de natuurlijke en menselijke krachten en middelen afhangt. Feuerbach wil daarom het godsbegrip wegdenken en wenst dat de mens zijn natuurlijke staat herstelt en zijn verantwoordelijkheid neemt.
Een andere ethische inslag kenmerkte het atheïsme van Marx. Zijn roemruchte aforisme ‘godsdienst is opium van het volk’ is in de eerste plaats te duiden als maatschappijkritiek. Godsdienst vervreemdt de mens van zijn taak op aarde en biedt valse troost en een vals bewustzijn. Eerst als de communistische maatschappijvorm gerealiseerd wordt, zal de godsdienst afsterven. Latere marxisten zoals de Sovjetrussische leiders Lenin en Stalin en hun navolgers zouden het niet bij die constatering laten en de godsdienst actief bestrijden of oogluikend toestaan, zoals ook hun vazallen in Oost-Europa tijdens de periode van het ‘reëel bestaande socialisme’ (1917-1991) afwisselend deden.
Nietzsche vertolkte eind negentiende eeuw een ander soort atheïsme, dat zijn oorsprong vond in een antitheologie. God was dood, mede door toedoen van de christenen zelf: de kerken zouden de graftomben van een leeg christendom zijn. Het christendom zou de aanvankelijk vitale Griekse cultuur hebben ondermijnd door begrippen als naastenliefde en medelijden, begrippen die Nietzsche duidde als moreel ressentiment. Hij stelde hier een antitheologie van de Übermensch tegenover: de mens die het leven in zijn ‘eeuwige wederkeer’ onverschrokken aanvaardde.
Veel minder opgewonden was het psychologisch atheïsme van Freud. God was als een Vader voor de onvolwassen mens. Zoals de mens zijn vader diende los te laten en zijn eigen weg moest gaan, zo zou de volwassen mens het zonder godsdienst moeten kunnen stellen. Godsdienst was voor Freud een neurose, een stoornis die een gezond zielsleven in de weg stond.
De twee dominante filosofische stromingen van de twintigste eeuw (de analytische wijsbegeerte en het existentialisme) telden enkele vooraanstaande atheïsten. Waar een analytisch wijsgeer als Alfred Ayer (1910-1989) godsdienst beschouwde als een categorie waarover geen enkele zinnige uitspraak viel te doen, achtte de existentialist Sartre godsgeloof strijdig met de absolute vrijheid van de mens. Hoewel het atheïsme in de laatste twee eeuwen veel terrein heeft gewonnen, bekent in de eenentwintigste eeuw slechts een kleine elite van vaak spraakmakende intellectuelen zich tot het atheïsme, dat een even uitgesproken keuze lijkt als die voor een godsgeloof.
Auteur
Wim Berkelaar [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
O. Noordenbos, Het atheïsme in Nederland in de 19e eeuw (Rotterdam 1931)
W. Luijpen, Fenomenologie en atheïsme (Utrecht/ Antwerpen 1963)
R. Boon, Het christendom op de tocht. Een onderzoek naar de opkomst van het West-Europese atheïsme (Kampen 1972)
A.L. Constandse, Grondgedachten van het atheïsme (Rotterdam 1978)