Parapluterm waarmee de intellectuele erfgenamen van Bertrand Russell, G.E. Moore en Ludwig Wittgenstein worden aangeduid.
Min of meer equivalent met de analytische filosofie, maar zakelijk niet veel informatiever, zijn de termen linguïstische filosofie en Oxford filosofie. Als contrastterm wordt veelal ‘continentale filosofie’ gebruikt. Filosofen die als ‘analytisch’ bekend staan, vormen geen school en er zijn geen filosofische doctrines die zij allen aanhangen. Zij hebben alleen een min of meer gedeelde opvatting over wat filosofie is en hoe men filosofie moet beoefenen. In zijn vroege werk Tractatus Logico- Philosophicus (1921) zegt Wittgenstein: ‘Philosophy aims at the logical clarification of thoughts. Philosophy is not a body of doctrine but an activity. (...) Philosophy does not result in “philosophical propositions”, but rather in the clarification of propositions. Without philosophy thoughts are, as it were, cloudy and indistinct: its task is to make them clear and to give them sharp boundaries’ (stelling 4.112). Eén wijze van verheldering is ‘het geven van een analyse van een uitspraak’, waarmee werd bedoeld de herleiding van complexe uitspraken tot meer elementaire en uiteindelijk tot atomaire uitspraken, waarbij de atomaire uitspraken werden geacht direct te corresponderen met de basale elementen van de werkelijkheid. Russell gaf de volgende voorbeelden van atomaire uitspraken: ‘hier nu rood’, ‘dit ligt links van dat’.
Hoewel Wittgenstein zijn vroege opvattingen later zelf afzwoer, hadden ze een grote invloed in de Wiener Kreis, een kring van wetenschappers en intellectuelen die in de jaren dertig van de twintigste eeuw in Wenen bijeenkwam, waartoe onder meer Rudolf Carnap, Otto Neurath en Moritz Schlick behoorden. Hier werden de grondslagen gelegd voor het invloedrijke neopositivisme (ook wel: logisch positivisme). De neopositivisten probeerden de zinvolle uitspraken van de wetenschap af te grenzen van de in hun ogen veelal onzinnige uitspraken van de traditionele filosofie. Daartoe formuleerden zij het zogeheten ‘verificatiebeginsel van betekenis’, dat luidde dat een uitspraak zinvol is wanneer zij door onafhankelijke waarnemers empirisch kan worden geverifieerd. Metafysische, morele en godsdienstige uitspraken konden deze toets niet doorstaan en werden daarom als onzinnig gebrandmerkt.
De erfenis van Wittgenstein (zijn latere werk, de Philosophische Untersuchungen), Russell en Moore leeft voorts verder in wat wel genoemd wordt de ordinary language philosophy. Het streven is hier om nauwkeurig te bezien hoe in de filosofie (maar ook daarbuiten) woorden en zegswijzen feitelijk worden gebruikt. Want, zo luidt de diagnose, de oeverloze discussies in de filosofie zijn het gevolg van misleiding door de taal. ‘Niets’ in ‘het niets’ is een zelfstandig naamwoord, maar het verwijst niet naar iets zelfstandigs – het verwijst zelfs helemaal niet naar iets. Filosofen die diepzinnigheden over ‘het niets’ debiteren, merken dit niet op en vallen ten prooi aan verwarring en duisterheid. Een intrigerende filosoof in deze traditie is Gilbert Ryle.
Sinds enkele decennia is ‘analytische filosofie’ de aanduiding van filosofie waarin precisie, analyse en rigoureuze argumentatie als deugden worden erkend. Belangrijke Engelse en Noord-Amerikaanse christen-filosofen zoals Alvin Plantinga, William P. Alston, Peter van Inwagen, Eleonore Stump, Basil Mitchell, Richard Swinburne kunnen daarom zonder bezwaar ‘analytische filosofen’ worden genoemd.
Auteur
René Woudenberg [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Bertrand Russell, Mysticism and Logic (New York 1901)
Ludwig Wittgenstein, Tractatus Logico-Philosophicus (London 1922)
Gilbert Ryle, The Concept of Mind (London 1949)
Ludwig Wittgenstein, Philosophische Untersuchungen/Philosohical Investigations (Oxford 1953)
Alfred J. Ayer, Logical Positivism (New York 1959)
G.E. Moore, Selected Writings, ed. Thomas Baldwin London 1993)