Alle menselijke handelingen die niet onder een moreel oordeel vallen, zoals het nuttigen van voedsel of het beoefenen van sport en spel.
De term adiaphora (letterlijk: belangeloze dingen) wordt sinds de Oudheid gebruikt, met name in het stoïcisme. Het goed recht van de onderscheiding was al vroeg omstreden. Enerzijds is het duidelijk dat er vele menselijke handelingen zijn waarin gehoorzaamheid aan morele geboden geen rol speelt. Anderzijds kunnen op zichzelf neutrale zaken in hun gebruik schadelijk of afkeurenswaardig blijken: eten kan zwelgen worden, genot en spel kunnen levensbedreigend zijn, enzovoorts. De moraal gaat dus een rol spelen als men vraagt naar het doel van de handeling; dan blijken als belangeloos beschouwde handelingen vaak niet meer onverschillig.
Het begrip dankt zijn bekendheid aan twee historische conflicten. De eerste ‘adiaphoristische strijd’, in de zestiende eeuw, ging over de vraag of in de (lutherse) kerkhervorming traditionele vormen en gebruiken, in het bijzonder in de eredienst, als adiaphora gehandhaafd dienden te worden of als onbijbels afgeschaft. Het lutheranisme kwam hier tot een toleranter praktijk dan het calvinisme, dat alles verbood wat in de bijbel niet uitdrukkelijk was geboden (vergelijk ook het gereformeerde puritanisme). De tweede strijd vond plaats aan het einde van de zeventiende eeuw naar aanleiding van de bouw van een schouwburg in Hamburg. Hier ging het vooral om vormen van ontspanning als theaterbezoek, dans, kaartspel en roken. Dergelijke discussies kwamen ook in Nederland voor in de met het Duitse piëtisme verwante beweging van de nadere reformatie (achttiende eeuw) en het Réveil (negentiende eeuw).
De filosoof Kant wilde de adiaphora zo veel mogelijk beperken, omdat zij de morele grondhouding van de persoon ondergraven. De oudere ethische handboeken behandelen het thema vaak afzonderlijk, in de moderne werken is dat doorgaans niet meer het geval. Voor de christelijke ethiek is van belang, recht te doen aan de christelijke vrijheid (1 Kor. 6:12: ‘alles is mij geoorloofd, maar niet alles is nuttig’) zowel als aan de gehoorzaamheid aan het gebod en Gods heerschappij over het gehele leven (Rom. 12:1; Mat. 22:37), waardoor alles in het licht van het evangelie komt te staan. Maar deze gehoorzaamheid is niet wettisch (zie wetticisme), zij krijgt gestalte in roeping en persoonlijke keuze, en heeft daarom niet een vastgelegd, statisch karakter.
Zo gezien lijkt het gezichtspunt van de adiaphora ook vandaag de dag actueel, vooral waar het levensterreinen betreft die een sterke ‘eigenwettelijkheid’ bezitten. Zoals politiek en staat (een probleem dat de hele kerkgeschiedenis een rol speelde, met name in de Lutherse twee-rijkenleer). Of de economie: is geld neutraal? (Mat. 6:24). En zeker ook in de problematiek van het milieu en de techniek: zijn gebruik en genot van de natuur en de daarop gebaseerde hulpmiddelen ethisch neutraal of ligt het misbruik zodanig op de loer, dat niet van een neutraal gebied kan worden gesproken? Hier lijkt Kants reserve tegenover de adiaphora op zijn plaats, voor zover op deze terreinen de noodzakelijke ethische bezinning en de menselijke verantwoordelijkheid door een strikte, vaak gepropageerde neutraliteit worden ondergraven.
Auteur
H.W. de Knijff [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]