In de filosofie wordt de vraag gesteld waar de denkende mens zijn begrippen vandaan haalt. Men kan stellen dat de mens al zijn begrippen ontleent aan zintuiglijke waarneming: door herhaaldelijk een concrete boom te zien, vormt men zich het abstracte begrip 'boom' (empirisme).
Begrippen als ‘gelijkheid’, ‘eeuwigheid’ en ‘God’ kunnen echter niet uit zintuiglijke waarneming worden gevormd. René Descartes (1596-1650) stelde dat wiskundige begrippen en de idee van God de menselijke geest zijn aangeboren (rationalisme). Gereformeerde (calvinistische) theologen uit de zeventiende eeuw estreden de gedachte dat ieder mens in zijn geest een volledig en toereikend begrip van God zou bezitten. John Locke (1632-1704) verwierp de aangeboren begrippen om filosofische redenen. Volgens hem is de menselijke geest een onbeschreven blad en worden alle begrippen gevormd door zintuiglijke waarneming en reflectie – ook het begrip God.
Auteur
J. Muis [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]