Opvatting dat het een taak van de mens is om de aarde in cultuur te brengen.
Het begrip wordt verbonden aan Genesis 1:28, waar de mens de opdracht ontvangt om de aarde te onderwerpen. Vooral bij A. Kuyper, met zijn opvattingen over gemene gratie, kreeg de ontwikkeling van de cultuur een grote plaats. Kuyper stelde het cultuurmandaat niet naast of tegenover het christelijk geloof, maar trachtte tot een synthese te komen tussen beide. De hoogste cultuur was voor hem juist de culturele ontplooiing zoals die zich alleen via het christendom kon ontwikkelen.
K. Schilder liet zich kritisch uit over Kuypers idee van de gemene gratie, maar huldigde net als Kuyper de gedachte van het cultuurmandaat. Kritiek op het cultuurmandaat rees vooral sinds 1970 toen men zich bewust werd van de vernielingen die de mens aan het milieu toebracht. De vraag rees of we werkelijk alles uit de wereld moeten halen wat erin zit. Gepleit werd onder meer voor de term ‘scheppingsmandaat’, om daarmee aan te geven dat niet zozeer de cultuur als wel de schepping, zoals God die geschapen en gewild heeft, intact gehouden moet worden. Een tussenpositie wordt ingenomen in het begrip rentmeesterschap: de mens heeft wel heerschappij over de aarde ontvangen, maar dan als rentmeester in dienst van God, die de eigenaar van onze wereld is.
Auteur
J. Douma [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
S.J. Ridderbos, De theologische cultuurbeschouwing van Abraham Kuyper (Kampen 1947)
J. Douma, Milieu en manipulatie (Kampen 1988)