Financiële hulp die de overheid biedt aan hen die niet zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien.
Tegenwoordig berust sociale bijstand op de idee van de menselijke solidariteit en wordt hij gezien als een plicht van de overheid jegens de onderdanen. Bijstand verschilt principieel van de armenzorg als bedoeld in de Armenwet van 1854 die als gunst en in het kader van de openbare orde aanvullend op de kerkelijke en particuliere hulpverlening werd geboden. De Armenwet van 1912 liet het karakter van gunstbetoon en het motief van de openbare orde vallen, maar bleef gericht op aanvulling van de kerkelijke en particuliere hulpverlening (subsidiariteit).
De Algemene Bijstandswet (ABW) van 1963 (M. Klompé) en 1972 gaat uit van het sociale grondrecht van iedere burger op een menswaardig bestaan en het kunnen beschikken over voldoende middelen om in het dagelijkse levensonderhoud te voorzien. In dit systeem flankeert bijstand de sociale verzekering. Het verschil is dat de sociale verzekering een collectieve voorziening is waarvoor premie wordt betaald, terwijl bijstand is toegesneden op (groepen van) individuen en bekostigd wordt uit de algemene middelen.
Waar bijstand door noodzakelijke regelgeving of door andere oorzaken het moet laten afweten, wordt aanvullende hulp geboden door kerkelijke (diaconaat, caritas) en particuliere instanties.
Auteur
L.C. van Drimmelen [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. Noordegraaf, Armoede is onrecht (Den Haag 1990)