Vrij zijn, een veel begeerd goed in een wereld die slavernij, oorlog, vervolging en onderdrukking in allerlei vormen kent.
Vrijheid van religie, meningsuiting, vergadering, enzovoorts worden binnen een democratische samenleving als grondrechten aanvaard. In Nederland kennen wij daarbij ook onderwijsvrijheid. Aan vrijheid zit een dubbel aspect: vrij zijn ván en vrij zijn voor. De vrijheid van de individuele persoon kan het hoogste ideaal lijken, omdat hij zich alleen maar hoeft te laten beperken door de vrijheid die ook aan een ander gegund moet worden. Maar deze liberalistische vrijheid is nog wat anders dan de vrijheidsbeleving die gericht is op de ander. In het laatste geval vindt de mens zijn doel in zijn vrijheid voor de ander, dat wil zeggen: door zich in te zetten ten bate van de ander.
In het christelijk geloof gaan ‘vrijheid van’ en ‘vrijheid voor’ hand in hand. De christelijke vrijheid houdt in dat de gelovige vrij is van de macht van de zonde, van wetticisme en dergelijke, terwijl zij tegelijk positief moet worden ingevuld als vrijheid voor het liefhebben van God en de naaste. Paulus zegt dat hij vrij staat tegenover allen, maar tegelijk zich dienstbaar weet aan allen (1 Kor. 9:19). Het laatste is de keerzijde van het eerste. Vrijheid staat ook niet op gespannen voet met het gebod en de wet van God. De ware vrijheid luistert naar de (goede) wetten. De inleiding op de Tien Geboden geeft daarvan een mooi voorbeeld: Jahwe heeft Israël uit Egypte geleid, en om het bevrijde Israël ook vrij te houden, volgen de Tien Geboden. Veel geschillen binnen kerkelijke gemeenschappen gaan over de mate van vrijheid in de keus voor allerlei zaken, die al of niet van ondergeschikt belang worden geacht.
Auteur
J. Douma [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
W.H. Velema, Geroepen tot heilig leven (Kampen 1985)