Misbruiken van de naam van God of van Jezus om aan eigen woorden kracht bij te zetten.
De meeste vloekwoorden zijn krachttermen om emoties te ontladen en stopwoorden in de vorm van Godsnamen. Het vaak ondoordachte en daardoor ijdele (lege) gebruik van vloeken is in strijd met het derde gebod van de Tien geboden. Volgens een NIPO-enquête (2000) in opdracht van de Bond tegen het vloeken hanteert tweederde van de Nederlanders een veel ruimere definitie van vloeken: behalve het misbruik van Gods naam ook het uiten van verwensingen, krachttermen en schuttingwoorden.
De wetenschap (Van Sterkenburg) onderscheidt twee hoofdcategorieën van vloeken: vloekwoorden gebruiken (godslasterlijke taal, niet bedoeld om iemand schade te berokkenen) en verwensen (over iemand een vloek of doem uitspreken, meestal met gebruikmaking van Gods naam).
Auteur
Hans Werkman [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
P.G.J. van Sterkenburg, Vloeken (Leiden 2001 2de druk)
Hans Werkman, ‘En alles vloekte, maar hij vloekte niet’. Misbruik en gebruik van Gods naam in moderne literatuur (Veenendaal 2001)